De regerende Alawieten-dynastie in Marokko heeft tijdens de internationale conventie van Algeciras (Spanje) in 1906 ingestemd met de bezetting van Marokko door Frankrijk en Spanje. De Marokkanen waren tegen deze kolonisatie en voerden een zware en langdurige verzetsstrijd waaraan de bezetters een mooie naam hebben gegeven: het protectoraat.
Marokko onder bezetting
De periode tussen 1912 en 1933 wordt gezien als de hevigste van de vorige eeuw in de verzetsstrijd tegen het Europees kolonialisme in Marokko. Het laatste verzet werd gevoerd door de stam Ait Atta, in het Atlasgebied. Deze stam werd in 1933 door het Franse leger, gesteund door de soldaten van de Marokkaanse sultan, verslagen.
Ondanks de overmacht van het Spaanse en Franse leger in wapens en mankracht, heeft het ze meer dan twintig jaar gekost om heel Marokko te bezetten. Deze afschuwelijke oorlog heeft een beschaafde naam gekregen die de lading niet dekt: de pacificatie.
In de Rif ondervond het Spaanse bezettingsleger hevig verzet dat werd geleid door Mohamed Amezian, die vocht tot aan zijn dood in 1912. Daarna werd het verzet minder sterk en minder georganiseerd tot 1921. In dat jaar hebben de Riffijnen belangrijke veldslagen gewonnen zoals de slag om Anoual, Dhar Oubaran en Ighriben. Dat resulteerde in 1923 in de oprichting van de Rif Republiek: ‘de Unie van de Riffijnse Stammen’ onder leiding van Mohamed ibn Abdelkrim Al Khattabi (1882–1963).
Opstand en chemische wapens in de Rif
De Fransen en Spanjaarden hebben deze prille Staat gebombardeerd met gifgas en maakten zo in 1926 een einde aan de Rif Republiek, maar niet aan het ideaal van de Riffijnen om vrij en onafhankelijk te zijn.
Nadat de bezetters het landbestuur aan de Alawieten-monarchie hadden overgedragen en de oprichting van het huidige Marokko in 1956 een feit werd, protesteerden de Riffijnen tegen discriminatie en marginalisatie door de Marokkaanse staat. In 1958 werden de Riffijnen door de koning van Marokko Mohamed V van opruiing beschuldigd. Zijn leger gebruikte onder ander napalmbommen om de volksprotesten neer te slaan. Het aantal doden in de Rif als gevolg van het bloedig neerslaan van de volksprotesten in 1958/59 is tot op heden onbekend. Ooggetuigen spreken van wrede bloedbaden, verkrachtingen en plunderingen.
Na de strafexpeditie in de Rif van 1958 en 1959 werd het Marokkaanse leger in Casablanca ingezet om volksdemonstraties neer te slaan. Op 23 maart 1965, vier jaar na de dood van Mohamed V en Hassan II zijn vader had opgevolgd, werden volksprotesten in Casablanca door het leger bloedig neergeslagen. Hierbij vielen meer dan duizend doden.
Twee maanden na deze protesten, op 7 juni 1965 stuurde Hassan II de regering naar huis, stelde het parlement op non-actief, schortte de grondwet op en riep de noodtoestand uit, waardoor alle macht in zijn handen kwam te liggen. In 1966 voerde hij de dienstplicht in. De noodtoestand duurde 5 jaar, tot 1970.
Corrupte entourage van de koning
In 1970 reisde generaal Mohamed Medbouh, hoofd van de koninklijke militaire huishouding, naar de Verenigde Staten om het staatsbezoek van Hassan II aan de VS voor te bereiden. Een Amerikaanse senator besprak de corruptie in de Marokkaanse regering en koninklijke kringen met generaal Medbouh. Het ging om de zogenoemde Pan Am affaire, waarbij zes Marokkaanse ministers werden beschuldigd van corruptie: Mohamed Imani, Yahia Chefchaouni, Abdelkrim Lazrak, Mamoun Tahiri, Mohamed Jaidi en Abdelhamid Karim. (1) De generaal heeft deze kwestie bij koning Hassan II aangekaart, maar de vorst heeft geen concrete actie ondernomen.
Op zaterdag 10 juli 1971 vierde koning Hassan II zijn 42ste verjaardag. Voor deze gelegenheid gaf de monarch een receptie in zijn zomerresidentie in Skhirat nabij Rabat aan de kust van de Atlantische Oceaan. Voor deze receptie waren alleen mannen uitgenodigd.
Deze koninklijke residentie is geen traditioneel paleis. Het bestaat onder meer uit bungalows, paviljoenen, villa’s en woningen voor de koning en zijn gevolg. Deze residentie huisvest ook een golfbaan van 18 holes. Het gehele complex staat op een terrein met een lengte van ongeveer drie kilometer.
Voor deze receptie waren meer dan duizend gasten uitgenodigd onder andere de voltallige regering, bijna de gehele generale staf, alle bevelhebbers van de eenheden die op een staatsgreep zouden moeten reageren. Dat maakte dit feestelijk evenement een ideale gelegenheid voor een staatsgreep, de hele familie van de koning was binnen handbereik.
Op 300 kilometer van Skhirat, in het Atlas-gebied staat de militaire school voor onderofficieren van Ahermoumou, die ongeveer 1400 kadetten en officieren telt. Aan het hoofd van deze school staat de 33-jarige luitenant-kolonel Mhamed Ababou, de jongste officier met de rang van kolonel in het Marokkaanse leger.
Militaire school van Ahermoumou 1962
1400 soldaten zetten koers naar het paleis van de koning
Op vrijdag 9 juli 1971 circuleerde het nieuws onder de kadetten van Ahermoumou dat zij een tweedaagse oefeningen zullen houden in Sidi Slimane, ongeveer honderd kilometer van Rabat.
Zaterdag 10 juli omstreeks 03:00 uur vertrok uit Ahermoumou een militaire colonne van 60 legertrucks met aan boord 1400 officieren, onderofficieren en kadetten van de Ahermoumou school en acht ton aan munitie. Zij waren verdeeld in 25 commando-eenheden van 15 tot 40 man, iedere commando-eenheid stond onder bevel van een officier en een speciale commandobrigade, bestaande uit vijfentwintig met zorg gekozen onderofficieren, die de coördinatie van de operatie verzorgden.
Rond 10:00 uur stopte het konvooi bij Bouknadel in het Maâmora woud voor een rustpauze. Bij deze stilstaande militaire colonne hebben Mhamed Ababou, zijn broer Mohamed en andere officieren zich aangesloten. De commandant van de Ahermoumou school verzamelde zijn officieren om zich heen en gaf ze de volgende opdracht:
belegeren van twee gebouwen in Skhirat, die door rebellen zouden zijn bezet, alle ingangen moesten afgesloten worden, buitenlanders moesten eruit gehaald worden en in vrachtwagens worden gezet, niemand mocht ontsnappen en er moest geschoten worden op iedereen die probeerde te vluchten. De kolonel legde uit dat het konvooi in twee groepen zal worden verdeeld: de eerste groep onder zijn bevel en die het complex in Skhirat vanuit het zuiden zal binnenvallen. De tweede groep onder bevel van zijn oudere broer, luitenant-kolonel Mohamed Ababou, zal het complex vanuit het noorden binnendringen. Mhamed Ababou vertelde verder dat het doel van deze operatie was de koning te bevrijden uit handen van subversieve elementen en verraders en dat er meer militaire eenheden onderweg waren om deel te nemen aan deze operatie.
Luitenant-kolonel Mhamed Ababou
De colonne reed omstreeks half twee ‘s middags het centrum van Rabat binnen. Op deze warme en drukke dag keken de mensen verbaasd naar de lange rij van militaire vrachtwagens vol soldaten met geladen machinegeweren die de hoofdstad van Marokko langzaam binnenreden. Bij aankomst in Skhirat rond 14:00 uur splitste het konvooi zich in twee groepen, iedere groep drong binnen via de eerder afgesproken ingang van de koninklijke residentie in Skhirat.
Bestorming van het koninklijk paleis
De bewaking van de koninklijke residentie van Skhirat bestond uit de leden van de koninklijke garde, parachutisten, gendarmerie en leden van de geheime dienst. De kadetten van Ahermoumou kwamen zonder veel tegenstand het zomer-paleis van Hassan II binnen. De twee eenheden van CMI, Compagnies Mobiles d’Intervention de Mobiele Eenheden, die later te hulp schoten aan de belegerden in het paleis van Skhirat, werden door de Ahermoumou kadetten snel uitgeschakeld.
Tekening van het paleis van Skhirat
De meer dan duizend kadetten van Ahermoumou waren niet ouder dan 20 jaar. De meesten kwamen uit arme gezinnen uit Atlas en de Rif. Zij zijn goed getraind maar hadden geen gevechtservaring. Eenmaal binnen het verblijf van de koning werden zij verrast door het luxe leven van de koning en zijn entourage: verfijnd eten, kaviaar, garnalen, alcoholische dranken binnen het paleis van de leider der gelovigen zoals dat in de Marokkaanse grondwet staat.
Bij een ingang werd de weg voor kolonel Mhamed Ababou versperd door de bewakers van het paleis. Een luitenant kwam Ababou vertellen dat hij niet verder mocht. Ababou waarschuwde hem uit de weg te gaan anders zou hij hem neerschieten, de luitenant schoot eerst de kolonel neer, de kogel bleef in het lijf van de kolonel zitten tussen zijn schouder en zijn hart, waarna de kolonel met meer nauwkeurigheid van dichtbij de luitenant ter plaatse dood schoot. Mhamed Ababou is de eerste gewonde van de coup van Skhirat, de wond van de kolonel Mhamed Ababou zou een grote invloed hebben op het verloop van de staatsgreep, als gevolg van zijn verwonding liep hij te schuimbekken (2). Vervolgens schoten de kadetten op de vluchtende gasten, zoals hun commandant had opgedragen.
Vluchtende gasten in Skhirat op 10/07/1971 Foto: Paris Match
Na de eerste vuurstoten werd de koning, die aan het lunchen was, meegenomen naar de troonzaal en vervolgens naar een onbekende plaats. Er werd gezegd dat hij samen met een aantal vertrouwelingen zich in de toiletten heeft schuil gehouden. Een andere versie is dat de koning zich schuilhield in een grote vuilniscontainer.
Een van de genodigden die gewoontegetrouw met een dik pak bankbiljetten naar de kadetten zwaaide, werd zwaar toegetakeld. ‘Daar zijn we niet voor gekomen!’ brulden de kadetten van Ahermoumou.
De dood van de generaal Medbouh
Nadat het paleis van Skhirat onder controle was van de soldaten van de gewonde kolonel Mhamed Ababou, begon de zoektocht naar het staatshoofd: koning Hassan II. Plotseling verscheen generaal Mohamed Medbouh op het toneel en kwam verhaal halen bij kolonel Ababou. Hij sprak hem erop aan dat het de afspraak was om het paleis te omsingelen zonder te schieten. De kolonel vroeg aan de generaal of hij zijn deel van de missie uitgevoerd had, namelijk de koning neutraliseren. Het antwoord van de generaal overtuigde de kolonel niet en hij zag dat de metgezel van Medbouh, dokter Benaïch, een privé-arts van de koning, een kleine machinegeweer bij zich had. Ababou gaf een sein aan zijn soldaten en de 44-jarige generaal werd direct gedood.
Generaal Mohamed Medbouh (1927–1971)
Medbouh is een Arabisch woord dat ‘afgeslacht’ betekent. De familie van de generaal kreeg deze benaming doordat de keel van de vader van de generaal werd doorgesneden omdat hij het Riffijnse verzet onder leiding van Abdelkrim verraden heeft bij de Franse bezetter. De generaal heeft in 1963 een complot tegen Hassan II waarvan hij ook deel uitmaakte op het laatste moment verraden. Hij werd daarna gelijk gepromoveerd. Kolonel Ababou kende de geschiedenis van zijn streekgenoot Medbouh.
De kolonel had iemand in zijn positie nodig om zijn troepenmacht vrij van Ahermoumou naar Skhirat te laten bewegen, door een gebied van drie militaire districten. Ook had Ababou de generaal nodig om het leger in de greep te houden. Medbouh bekleedde eerder de functie van commandant van de Koninklijke Garde en minister van Post en Telecommunicatie. Hij was getrouwd met de dochter van een hoge legerofficier, maarschalk Mohammed ben Mizzian ben Kassem, (1897–1975). De generaal diende in het Franse leger en had nauwe contacten met de CIA. (3)
Na de zoektocht van kolonel Mhamed Ababou naar Hassan II in het paleis van Skhirat, sprak hij met zijn oudere broer Mohamed af dat hij samen met een deel van de kadetten achter zal blijven in Skhirat en dat Mhamed met het andere deel van de kadetten naar Rabat zou gaan om de coup voort te zetten. Tegen 16:00 uur liet Ababou het grootste deel van zijn kadetten in de trucks stappen en richting de hoofdstad Rabat rijden.
Bezetting van regeringsgebouwen in Rabat
Het doel van Ababou in Rabat was het bezetten van de hoofdgebouwen van onder ander de Marokkaanse Radio en TV, het Ministerie van Binnenlandse Zaken en de Generale Staf. Deze instellingen werden allemaal door de kadetten van Ahermoumou bezet zonder veel tegenstand. Mhamed Ababou maakte een fatale fout, hij liet ongeveer honderd kadetten het paleis van Skhirat omsingelen. Dat is niet voldoende voor zo’n groot gebied.
Na het veroveren van het radio- en tv station in Rabat werden radio-berichten uitgezonden dat het leger de macht had gegrepen en dat Marokko van nu af aan een republiek was. Het eerste communiqué luidde: ,,De koning is dood, leve de republiek’’. In de loop van de middag en de avond kwamen er steeds weer nieuwe communiqués zoals: ,,Het leger is tot revolutie overgegaan voor het welzijn van het Marokkaanse volk. Het koninklijke regime is gevallen. Wij zullen de verraders niet meer de eer van dit volk laten vertrappen. Het leger heeft de macht in handen genomen en alle prefecturen en provincies van het land onder zijn bevel gezet. Deze proclamatie gaat uit van het volksleger en de raad van het revolutieleger’’.
Een andere proclamatie luidde: ,,De nationale strijdkrachten hebben na de vernietiging van het feodale stelsel de macht overgenomen uit naam van het volk. Marokkanen, weest waakzaam, luister niet naar de antirevolutionaire en tegen het volk gerichte orders’’. Tussen deze proclamaties door werd militaire marsmuziek uitgezonden.
Luitenant-kolonel Mohamed Ababou tijdens zijn proces in januari 1972
Een onderofficier in Skhirat hoorde deze radioberichten en vertelde het door aan Mohamed Ababou, waarna de kolonel besloot om naar Rabat te gaan.
De coupplegers hebben ook het hoofdpostkantoor van Rabat ingenomen. Hierna ging kolonel Mhamed Ababou naar het militair ziekenhuis Marie Feuillet van Rabat waar de kolonel-arts Moulay de kogel onverdoofd uit zijn schouder heeft verwijderd. (4)
Later op de dag sloot kolonel Mohamed Ababou zich aan bij zijn broer Mhamed die zich in het gebouw van de Generale Staf van Rabat bevond.
Het paleis van Skhirat werd teruggewonnen door parachutisten en toen begon de tegenaanval onder leiding van generaal Oufkir tegen de rebellen. Er werden onder andere tanks ingezet.
De dood van de kolonel Ababou
Bij de ingang van het gebouw van de Generale Staf in Rabat, waar de meeste coupplegers zich bevonden, verscheen aan het hoofd van twee Snelle Interventie Eenheden generaal Bachir Bouhali, majoor van de generale staf van het leger.
Generaal Bouhali liep naar de hoofdingang van het gebouw, kolonel Mhamed Ababou kwam te voorschijn, de generaal vroeg aan de kolonel om zich over te geven en zijn soldaten op te dragen hun wapens neer te leggen. De kolonel weigerde en vroeg de generaal om een gesprek, dat weigerde de generaal. Daarop gaf Ababou opdracht aan zijn mannen om generaal Bouhali neer te schieten. Er ontstond een vuurgevecht, er werd van beiden kanten geschoten. De generaal was op slag dood. Kolonel Ababou raakte deze keer ernstiger gewond en stierf ter plaatse en daarmee kwam een eind aan de staatsgreep.
Luitenant-kolonel Mhamed Ababou (1938–1971). Geboren in Boured, Izennayen in de Rif. Studeerde op het Collège berbère d’Azrou (tegenwoordig Lycée Tarik Ibn Ziad). Sinds 1968 commandant van de Militaire School van onderofficieren Ahermoumou. Hij haalde zijn diploma voor bevelvoering aan de Franse school voor Generale Staf. Ababou was een van de belangrijke kaders van het Marokkaanse leger en een van de strategen van de grote legeroefeningen. Een van zijn officieren beschrijft hem: ,,Hij maakte zijn mannen onderschikt aan zijn macht, hij werd tegelijkertijd gevreesd en geliefd door iedereen en ook gerespecteerd door iedereen inclusief zijn superieuren”. Hij laat 4 kinderen achter. Toen hij op 10 juli 1971 overleed in Rabat werd er een tapijt over zijn lichaam gerold. Het is niet bekend wat met zijn stoffelijk overschot is gebeurd. Er is geen graf van hem bekend.
De 59-jarige generaal Bachir Bouhali diende in het Franse leger waar hij mee heeft gedaan aan het bloedbad van Marokkaanse demonstranten in Oued Zem (Midden-Marokko) op 20 augustus 1955 tijdens de Franse bezetting.
Er zijn meer dan honderd doden en gewonden gevallen: ministers, legerofficieren, artsen van de koning, de Belgische ambassadeur in Marokko Marcel Dupret. Het Marokkaanse leger verloor vijf generaals tijdens de coup van Skhirat: Gharbaoui commandant van de tankdivisie, N’michi, commandant van de luchtmacht, Abdelhai hoofd van militair district Meknès, Medbouh, hoofd van de koninklijke militaire huishouding en Bouhali, majoor van de generale staf van het leger. Onder de gewonden bevond zich de jongere broer van de koning Hassan II, prins Abdellah ben Mohammed Alaoui (1935–1983).
Generaal Mohamed Oufkir
De tegenaanval van generaal Oufkir
De minister van Binnenlandse Zaken generaal Mohamed Oufkir kreeg van koning Hassan II alle burgerlijke en militaire volmachten om de toestand onder controle te krijgen. Hij maakte gebruik van de door hem opgerichte Lichte Veiligheidsbrigade en de Parachutisten in de aanval tegen de putschisten.
Alle coupplegers werden snel opgepakt op die 10e juli 1971: de generaals Khiari Bougrine, hoofd van het militaire district Fes-Taza, Amharech Mustapha, algemeen directeur van de militaire scholen, Hammou Amahzoun, de zwager van Hassan II en hoofd van het militaire district Rabat-Kenitra, Abderrahman Habibi, hoofd van het militaire district Marrakech en kolonel Larbi Chelouati, officier bij de Generale Staf.
Op een persconferentie dezelfde avond zei Hassan II dreigend: ,,Binnen 24 uur zullen de leiders van de rebellie terechtgesteld zijn. Ze krijgen van ons precies voldoende tijd om te vertellen wat ze te zeggen hebben”.
De beulen hadden een nacht extra om hun gevangenen te bewerken. De vier generaals, Hammou, Bougrine, Mustapha, Habibi en vijf kolonels waaronder Chelouati en één majoor werden op dinsdag 13 juli 1971 geëxecuteerd. Deze executie werd uitgezonden op de Marokkaanse staatstelevisie, de geëxecuteerden vertoonden duidelijk sporen van marteling. Er zijn veel vragen gesteld over hoe snel deze executies zonder proces zijn uitgevoerd, gezien het feit dat er geen gevaar meer was voor de staatsveiligheid.
Het Marokkaanse leger verloor in drie dagen negen van zijn vijftien generaals. Nog nooit was in een oorlog, hoe bloedig ook, het verliespercentage onder het topkader zo hoog geweest.
Van links naar rechts generaals: Mohamed Habibi, Bachir Bouhali, Khiari Bougrine, Hammou Amahzoun
Getuigen meldden dat de koningsgezinde troepen op de kadetten van Ahermoumou hadden geschoten terwijl zij zich over hadden gegeven en hun wapens hadden neergelegd. Kolonel Mohamed Ababou werd op woensdag 14 juli 1971 nabij Achaoun (Chefchaouen) opgepakt.
Het proces van de militairen van Ahermoumou
De gevangengenomen officieren, onderofficieren en kadetten van Ahermoumou werden door het militair gerechtshof van Kenitra berecht. Begin februari 1972 had de openbare aanklager bij het gerechtshof van Kenitra gevangenisstraffen variërend van een jaar tot de doodstraf tegen officieren, onderofficieren en de kadetten van Ahermoumou geëist. Ze werden allemaal naar de militaire gevangenis van Kenitra gebracht, waar zij tot begin september van dat jaar gevangen zaten. Daarna werden ze overgebracht naar de centrale gevangenis van Kenitra.
De kadetten van Ahermoumou werden door het militair gerechtshof van Kenitra vrijgesproken en werden allemaal uit het legerkorps ontslagen. Eind februari 1972 werden 74 officieren en onderofficieren door het militair gerechtshof van Kenitra veroordeeld tot straffen variërend van één jaar tot levenslang. Kolonel Mohamed Ababou kreeg 20 jaar celstraf voor zijn aandeel in de staatsgreep tegen de koning van Marokko.
Luitenant-kolonel Mohamed Ababou (1934), vier jaar ouder dan zijn broer Mhamed, oorspronkelijk uit Tamjount, Boured in de Rif, studeerde aan de Franse officiersschool Dar el Beida in Meknes. Hij was een oprechte en integere persoon, eigenschappen die voor problemen zorgden met zijn superieuren. Hij diende in het Marokkaanse leger tijdens de VN-missie UNOC, vredesoperatie in de Democratische Republiek Congo van 1960 tot juni 1964. Daar zag hij een Marokkaanse legerofficier zijn onderschikte een klap geven, waar hij de officier op heeft aangesproken. Hij heeft diverse burger en militaire functies vervuld. In 1971 was hij instructeur bij de Hoge Militaire School in Kenitra.
Na zijn veroordeling in februari 1972 zat hij zijn straf uit in de centrale gevangenis van Kenitra en kreeg bezoek van onder andere zijn zoon Abdelgahni Ababou. In mei 1973 werd kolonel Mohamed Ababou geblinddoekt uit de gevangenis van Kenitra naar een onbekende locatie gebracht waar dronken mensen zich bevonden, dat vertelde Kolonel Ababou tijdens het wekelijks bezoek van zijn zoon Abdelghani (1954), die vertelde op zijn beurt dat hij sporen van marteling zag op het gezicht van zijn vader. Mohamed Ababou zei tegen zijn zoon zeker te weten dat koning Hassan II aanwezig was op de martelplaats en herkende in ieder geval de stem van kolonel Ahmed Dlimi en de jongere broer van koning Hassan II, prins Abdellah ben Mohammed Alaoui. Beide personen hebben hem gemarteld. De laatste woorden van prins Abdellah ben Mohammed Alaoui tegen hem waren: ‘U zult rotten’. (5)
Verdwijning uit de gevangenis
Vanaf begin augustus 1973 ontbrak ieder spoor van Mohamed Ababou. Toen zijn zoon Abdelghani hem ging bezoeken, kreeg hij te horen dat zijn vader was meegenomen naar een onbekende bestemming.
In 1975 ontsnapte Mohamed Ababou samen met andere gevangenen uit de zogeheten PF3 (Point Fixe 3) in Rabat, een geheim detentiecentrum van de geheime dienst. Na deze ontsnappingspoging werd een opsporingsbericht uitgevaardigd en het gezin Ababou werd thuis overvallen door de veiligheidsdiensten.
Abdelghani Ababou beschouwt zijn vader vooralsnog als vermist. De na de dood van Hassan II opgerichte verzoeningscommissie, de IER (l’Instance Équité et Réconciliation) en de Marokkaanse Nationale Raad voor de Mensenrechten hebben niets gemeld over kolonel Mohamed Ababou. Abdelghani Ababou stelt dan ook het Marokkaans regime verantwoordelijk voor de verdwijning van zijn vader.
Na de gedwongen verdwijning van zijn vader vertrok Abdelghani Ababou uit Marokko. Hij woont tegenwoordig in Nederland.
De andere veroordeelde couplegers werden in 1973 uit de centrale gevangenis van Kenitra ontvoerd en naar de geheime gevangenis Tazmamart gebracht. Een deel van hen is daar na jaren gevangenisstraf, overleden ook al hadden ze hun straf allang uitgezeten. De overlevenden kwamen in 1991 vrij, nadat Hassan II onder internationale druk het bestaan van Tazmamart gevangenis had erkend en liet sluiten.
De naam van het plaatsje Ahermoumou waar de militaire school zich bevond moest het ook ontgelden: op bevel van het paleis is de naam Ahermoumou veranderd in Ribat Al Kheir wat Vesting van het Geluk betekent.
Ruim één jaar na de mislukte coup van Skhirat zal het Marokkaanse leger weer een poging doen om koning Hassan II van de troon te stoten. Op woensdag 16 augustus 1972 opende de Marokkaanse luchtmacht het vuur op het vliegtuig van Hassan II…
Binnenkort een nieuw artikel over deze coup-poging.
Nederlandse daders van moord op 150.000 moslims opnieuw geëerd – nu zonder moslima Khadija Arib
ROERMOND – 2 sept. 2018 – De Nederlandse daders van de moord op 150.000 moslims in Indonesië tussen 1945 en 1950 zijn zaterdag in Roermond opnieuw herdacht en geëerd – maar nu voor het eerst zonder moslima Khadija Arib, de voorzitster van de Tweede Kamer.
Het evenement rond de Nederlandse oorlog tegen Indonesië geschiedde bij het borstbeeld van de bevelhebber van toen, generaal Spoor. Critici noemen hem ‘de grootste oorlogsmisdadiger uit de na-oorlogse Nederlandse geschiedenis’. Deze herdenking en de discussie rond deze oorlog trekt nu ook kritische aandacht in Indonesië, zo blijkt uit artikelen in The Jakarta Post.
Moslims zijn op deze gebeurtenis nu voor de 31ste maal stelselmatig genegeerd, zo stellen critici van de herdenking, m.n. de AFVN-Bond van Antifascisten en het Com. Nederlandse Ereschulden. De twee willen dat raadsleden van Roermond en kamerleden hierover vragen aan de overheden gaan stellen. Onder Spoors bevel werden verder tussen 1000 tot 1500 plaatselijke gebedshuizen en moskeeën in Indonesië in brand gestoken en vernietigd, zoals o.m. blijkt uit de documentaire wetenschappelijke studie ‘De brandende kampongs van generaal Spoor’, uit 2015 van dr Rémy Limpach, die als historicus werkt bij het ministerie van Defensie. Limpach benadrukt met de titel de werkwijze van de Nederlandse soldaten. Ook misbruikten de militairen de Ramadan om Indonesiërs aan te vallen.
Bekend is vooral de zaak-Rawagede uit december 1947, waar 431 onschuldige mannen, burgers, standrechtelijk in dat Javaanse dorp werden vermoord door het Nederlandse leger, als represaille. Deze mannen waren moslims. De rechtbank in Den Haag heeft de Nederlandse staat vanwege deze oorlogsmisdaad in 2011 veroordeeld en de staat heeft schadevergoedingen moeten betalen aan de weduwen. Deze zaak werd gevoerd door het Com. Ned. Ereschulden. Ook de moordpartij in Rawagede werd opnieuw verzwegen tijdens het Roermondse evenement.
De 6.000 omgekomen Nederlandse militairen die bij de moordpartij tussen 1945 tot 1950 omkwamen, werden zaterdag geëerd en herdacht door o.m. de Nederlandse inspecteur-generaal Hans van Griensven en andere officieren van de legerleiding, VVD-staatssecretaris Knops, hoge ambtenaren en kamerleden, zoals Ankie Broekers-Knol, voorzitster van de Eerste Kamer, de commissaris des konings Bovens, en de burgemeester van Roermond, Rianne Donders plus haar wethouders. De secretaris van de herdenking, Plattel, kreeg die ochtend zelfs een konklijke onderscheiding. De islamitische slachtoffers echter werd voor de 31ste keer elke aandacht onthouden. Een schoolkind las een door haar klas gemaakt gedichtje voor, dat ook de moord op de moslims en moslimvaders, -moeders en -kinderen volkomen negeerde. Er was echter wel voor het eerst belangstelling van moslimzijde: een tv-ploeg van de NPO-2 maakte opnamen voor een moslimprogramma over de herdenking.
Khadija Arib nam vorig jaar nog wel deel. Dit jaar echter gaf zij gehoor aan de oproep om weg te blijven van de AFVN-BvA en het Com. Ned. Ereschulden van drie weken terug. Ook afwezig waren enkele andere moslim-Kamerleden. Ook enkele moslim-raadsleden uit Roermond en omgeving zoals Sedat Coskun weigerden deelname.
Eerder, op 14 augustus onthield zich Arib tijdens de herdenking in de Tweede Kamer van de Japanse capitulatie in Indonesië als gevolg van de oproep ook van enige vermelding van de Nederlandse oorlog tegen Indonesië daarna, terwijl zij daarop in eerdere jaren juist wel inging. De antifascisten danken haar voor deze rechtvaardige ommezwaai. In WO-II hebben miljoenen moslims uit vooral Brits India gestreden tegen het fascisme van nazi-Duitsland en Japan en daarbij hun levens verloren. Ook in 1945 was Indonesië al het grootste moslimland van de wereld, maar werd sinds 1650 illegaal en met groot geweld bezet en gekoloniseerd door Nederland. Van 1945 tot 1950 streden 200.000 witte Nederlandse militairen met machinegeweren, kanonnen, tanks, vliegtuigen en oorlogsschepen tegen de moslimbevolking die zich trachtte te bevrijden van de Nederlandse koloniale onderdrukking, bezetting en uitbuiting. Indonesië riep op 17 augustus zijn zelfstandigheid uit. Deze is door Nederland tot nu toe niet erkend. Uiteindelijk tekende Nederland de overdracht van het bestuur op 27 december 1949.
Deze oorlog was uitzondelijk kostbaar en vertraagde de wederopbouw van Nederland aanzienlijk, omdat 30% van de Nederlandse woningen en 60% van de fabrieken in WO-II vernield was. De oorlog tegen de Indonesische moslims vertraagde het herstel van Nederland volgens sommige geschiedkundigen 5 tot 10 jaar. In Nederland weigerden verder ongeveer 4.000 jonge mannen de dienstplicht in Indonesië. De gruwelijk ervaringen van de strijdende Nederlandse dienstplichtigen – vaak tevens ongewilde daders – bezorgden vele duizenden van hen ernstige psychische trauma’s.
Alle regeringen van 1945 tot en met Rutte II hebben de details van deze slachtpartij altijd ontkend en systematisch verborgen. In 1969 bekende een Nederlandse luitenant, dr Joop Hueting, als eerste in het openbaar op de VARA-tv zijn oorlogsmisdaden in Indonesië. Hij werd daarna met de dood bedreigd en moest naar België vluchten, waar hij bleef. De laatste drie jaar zijn er drie belangrijke boeken verschenen die de gruwelen wetenschappelijke documenteerden, zoals de studie ‘De brandende kampongs van generaal Spoor’, het promotieonderzoek uit 2015 van dr Rémy Limpach, die werkt bij het ministerie van Defensie. De aanleiding voor zijn studie was de zaak-Rawagede. De regering Rutte III gaf in 2017 ondanks de uitvoerige en glasheldere studie van Limpach – die tot nu toe door geen enkele wetenschapper is weerlegd – opdracht voor een nieuw onderzoek naar de dekolonisatie en geweld in Indonesië, en stelde € 4 miljoen beschikbaar. Dit loopt tot eind 2020. Er zijn vrijwel geen moslims onder de onderzoekers en de leiding bestaat geheel uit witte Nederlanders, die geen moslim zijn en geen Indonesisch kennen. Een jaar terug protesteerden 150 Nederlanders, onder hen professoren en politici, tegen dit onderzoek. De AFVN-BvA protesteert nu twee jaar tegen de eurocentrische verering en herdenking, maar vond behalve bij Arib en enkele anderen, ook dit jaar weinig gehoor bij de overheden en politici. De bond heeft verder de organisatoren en de burgemeester eerder deze week gevraagd om openlijk afstand te nemen van het kolonialisme en daardoor van het racisme en discriminatie, maar dat hebben zij geweigerd. De AFVN-BvA had twee waarnemers bij de herdenking, maar één van hen werd bedreigd en lastiggevallen. Na de weiugering bezint de AFVN-BvA zich op de mogelijke consequenties van deze weigering. De AFVN-BvA heeft zowel moslims als Joden tot lid. Een oud-vooorzitster was een Joodse Auschwitz-overlevende.
Rachida Dati, een voormalig minister van Justitie in Frankrijk, tegenwoordig Europarlementariër, lobbyt in het Europees Parlement voor uitwisseling van persoonlijke gegevens tussen Europol, het samenwerkingsverband van de politiediensten van de Europese Unie, en Marokko. Dat blijkt uit een bericht dat in augustus 2018 verscheen op de website van het Europees Parlement.
Volgens de 53-jarige Franse politica is Marokko een strategische en belangrijke partner van Europa in de strijd tegen het islamitisch terrorisme. Marokko boekt volgens haar groot succes in deze strijd door het aantal ontmantelde terroristische cellen in Marokko de afgelopen jaren.
Marokkaanse staatsmedia laten geregeld beelden zien van het ontmantelen van terroristische cellen door Marokkaanse veiligheidsdiensten. Critici van het Marokkaanse regime zien deze ontmantelingsacties als in scene gezette acties van de Marokkaanse geheime diensten om de politiestaat in Marokko in stand te houden en meer subsidie te krijgen van de Europese Unie.
Casablanca, de economische hoofdstad van Marokko, werd op 16 mei 2003 getroffen door aanslagen waarbij 45 mensen om het leven kwamen. De voormalige Marokkaanse minister van Binnenlandse Zaken Driss Basri zei direct erna, vanuit zijn ballingschap in Frankrijk, dat deze aanslag “een binnenlands Marokkaans iets is”. Deze woorden van de ex-minister kunnen betekenen dat de aanslagplegers een echt product van Marokko zijn en of dat de aanslag het werk is van de Marokkaanse geheime dienst. Driss Basri was als minister van Binnenlandse Zaken 20 jaar lang bevelhebber van de geheime dienst La Direction de la Surveillance du Territoire DST tijdens het bewind van Hassan II in Marokko.
Rachida Dati liet zich niet horen over de recentelijke en structurele schendingen van de mensenrechten door Marokkaanse autoriteiten tijdens de Rif-volksbeweging in het Rif-gebied. Mensenrechtenorganisaties als Amnesty International en Human Rights Watch rapporteren mensenrechtenschendingen in Marokko, na de veroordeling van de leiders van Rif-volksbeweging schreef Amnesty International in haar rapport van 28 juni 2018: ,,Er werd echter geen enkel bewijs geleverd van een strafbaar feit”.
Rachida Dati is niet van onbesproken gedrag, in 2009 kreeg zij een dochtertje, Zohra, van wie zij de naam van de vader niet bekend wilde maken. Later probeert zij de Franse tycoon Dominique Desseigne (68) onder dwang een DNA-test te laten afnemen, om te bewijzen dat hij de vader is van haar dochtertje. Tegen Le Monde verklaarde Desseigne: ‘Ik had inderdaad een avontuurtje met mevrouw Dati, maar ik was niet de enige. Daarom weet ik niet of ik de vader ben.’
In 2013 wilde de Vlaamse cameraman en journalist Nick Resmann in het Europees Parlement in Straatsburg foto’s nemen van Dati, toen zij dat zag en hem benaderde moest zijn camera er bijna aan geloven. De politica slingerde allerlei verwijten naar z’n hoofd, “Jullie zijn nog altijd even dwaas”, zei de Europarlementariër kwaad. Waarom Dati uithaalde naar de Vlaming is onbekend. De Franse nieuwssite Le Point meldt dat de politica hem mogelijk verwart met een journalist van Petit Journal van Canal+, die in het verleden meermaals de draak met haar stak.
Dati werd onder president Nicolas Sarkozy benoemd tot minister van Justitie, maar nam kort daarna ontslag en werd UMP-kandidaat voor de Europese parlementsverkiezingen. Dati zit in het Europees Parlement voor de Fractie van de Europese Volkspartij (Christendemocraten). De Europarlementariër Dati zit in onder andere in de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken van het Europees Parlement.
Dati werd in 1965 in Frankrijk geboren als kind van een Marokkaanse vader en een Algerijnse moeder. Zij werd in 2010 door de Marokkaanse koning Mohammed VI onderscheiden en kreeg het lintje ‘Orde van Sharifis Alaouieten’, net als de huidige Rotterdamse burgemeester Ahmed Aboutaleb in 2007.
De Europarlementariër Dati becommentarieerde de troonrede van Mohamed VI van 29 juli 2018 als volgt “Meer dan ooit springt zijne majesteit Koning Mohammed VI eruit als de beste verdediger van de eenheid van het Koninkrijk, en een echte beschermer van de Marokkaanse bevolking”.
Een hoofdstuk uit het volledige rapport van de enquêtecommissie opsporingsmethoden en het Rijksrechercherapport RCID Kennemerland. Ook bekend als de Commissie-Van Traa.
Enquêtecommissie opsporingsmethoden 1996
Door: Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksbureau dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt.
IV.6. Marokkanen in Nederland
De emigratie van Marokkanen naar West-Europa is officieel in de jaren zestig geregeld in werfakkoorden. Met Duitsland werd zo’n overeenkomst waarin alle procedures voor werving en tewerkstelling waren geregeld, gesloten in 1963, Frankrijk volgde in 1964, België ook in 1964 en Nederland kwam wat achteraan met een werfakkoord in 1969. De werving heeft formeel niet langer dan vier jaar geduurd, want bij de (olie)crisis van 1973 werd zij stopgezet. Daarna is de immigratie doorgegaan in de vorm van primaire en secundaire gezinshereniging. In het eerste geval laat een (voormalige) gastarbeider zijn gezin overkomen, in het tweede geval huwt een kind met een legale verblijfsstatus in Nederland met een Marokkaan uit Marokko. Verder is er
een migratiecircuit van illegalen. Toen Shadid (1979) aan het einde van de jaren zeventig een grote representatieve steekproef van Marokkaanse arbeiders ondervroeg, ontdekte hij dat slechts 13 procent van hen via de officiële werving was gekomen. Velen hadden eerder in Frankrijk gewerkt en kwamen daarna door naar Nederland. Obdeijn (1993) heeft onlangs gereconstrueerd hoe het migratiepatroon zich heeft ontwikkeld. Hij schrijft dat verschillende wervingscommissies op hun eigen houtje het land doorkruisten op zoek naar sterke jonge mannen (met een gaaf gebit) en dat ze in feite deden wat een aantal louche lokale bemiddelaars zeiden. Waren de eerste emigranten eenmaal vertrokken, dan volgde de rest spontaan via het welbekende proces van kettingmigratie. Door dit mechanisme is de afkomst van de Marokkaanse migranten regionaal zeer beperkt. De Marokkanen in Frankrijk zijn grotendeels afkomstig uit de Soesstreek rond Agadir (dat in de koloniale periode onder Frans bewind stond) en er zijn veel studenten onder die uit steden kwamen. De Marokkaanse immigrantengroep in Frankrijk is sociaal meer gevarieerd samengesteld dan waar ook in Europa. De Marokkanen in België zijn grotendeels afkomstig uit de steden in het noorden (Tanger, Tetuan, Larache, Chefchaouen en Ouazzane). Die in Nederland zijn voor 80% afkomstig uit het voormalige Spaanse protectoraatsgebied in de Rif dat onderontwikkeld is gebleven en dat bevindt zich dicht bij het gebied van waaruit de cannabis-cultuur zich verbreidt. Het opleidingsniveau van de Marokkaanse gastarbeiders naar Nederland was zeer laag, 70% had zelfs geen lager onderwijs genoten en een intellectueel kader (zoals in Frankrijk) ontbrak geheel. De reden waarom door het Nederlandse bedrijfsleven vooral in de Rif is geworven, is volgens Obdeijn nogal prozaïsch. De Nederlandse werfagenten zochten de minst ontwikkelde bevolking, omdat daarvan de grootste mate van gedweeheid werd verwacht en de koning van Marokko zag ze gaarne een lastige bevolkingsgroep wegvoeren.
Dat het de Marokkaanse gemeenschap in Nederland niet voor de wind is gegaan, is neergelegd in werkelijk honderden wetenschappelijke rapporten en beleidsnota’s. Het globale beeld is er een van hopeloze sociale achterstand en culturele ontwrichting. Natuurlijk doen algemene cijfers geen recht aan de interne variatie binnen een groep. Buys (1993) vraagt speciaal aandacht voor Marokkaanse jongemannen die hun weg in Nederland wel goed hebben kunnen vinden en Crul (1994) stelt op grond van onderzoek vast dat de echte tweede generatie van Marokkanen (dus niet de anderhalve generatie die in Nederland maar weinig naar school is gegaan) het op school helemaal niet zo slecht doet. Maar het totaalbeeld is vooralsnog weinig hoopgevend. Niet meer dan een kwart van het Marokkaanse arbeidspotentieel verricht feitelijk betaalde arbeid (Veenman en Mertens, 1994: 112) en vrouwen vrijwel helemaal niet. Van al degenen die wel werken kan tweederde worden gerekend tot de laagste twee functiecategorieën van de arbeidsmarkt (tegen niet meer dan 22% van autochtone Nederlanders). Dat Marokkanen ook binnen het spectrum van etnische groepen niet de allerlaagste gemiddelde inkomens laten zien is alleen te verklaren uit de hoge uitkeringen die zij gemiddeld genieten vanwege het hoge kindertal (Martens en Veenman, 1994: 142). Samen met de Turken behoren de Marokkanen tot de sociale categorie die feitelijk het slechtst is gehuisvest en die in dit opzicht ook de minste aspiratie vertoont (Van Praag, 1990). Op school behalen Marokkanen gemiddeld de slechtste resultaten en vertonen het hoogste drop-out-percentage (Kloprogge e.a., 1994). Een deel van de Marokkaanse gemeenschap profileert zich als etnische ondernemer in slagerijen en de horeca, maar hun percentage is klein als dat wordt vergeleken met het aantal kleine zelfstandige ondernemers in andere etnische groepen (Van den Tillaart, 1993: 164). Een dergelijk ongunstig maatschappelijk profiel vormt een voedingsbodem voor criminaliteit. Zowel de slechte maatschappelijke vooruitzichten in absolute zin als ook de relatieve deprivatie dragen daartoe bij. Marokkaanse jonge mannen lopen bij het zoeken naar werk tegen een geweldige blokkade van discriminatie op. Bij een wetenschappelijke situatie-test waar mensen met volmaakt gelijke kwalificaties maar ongelijke etnische achtergrond, solliciteren op werkelijk bestaande vacatures, maakten Marokkaanse jonge mannen geen schijn van kans (Bovenkerk, Gras en Ramsoedh, 1995). Deze etnische groep onderscheidt zich van de andere ook nog door een grote generatiekloof. Veel Marokkaanse gezinnen zijn ontregeld door de aanhoudende onenigheid tussen vaders en zonen. Overal waar Marokkanen wonen in Nederland — hun vestigingspatroon volgt het algemene beeld van gastarbeid in Nederland (ze wonen in en rond de oude industriesteden, in de grote steden en in kleinere centra) — ziet de politie zich geconfronteerd met een reusachtig probleem van criminaliteit van Marokkaanse jongens (vergelijk Junger en Zeilstra, 1989; Werdmlder, 1990; Bovenkerk, 1992). Nu gaat het hier grotendeels om vermogensdelicten (inbraak en zo) en dat heeft op zich weinig te maken met georganiseerde misdaad. Maar het schept wel de voorwaarden om een deel van jeugddelinquenten door te laten gaan in een carrière in de zware misdaad. De randgroep die Werdmlder een aantal jaren lang volgde, leverde tenslotte enkele professionele misdadigers op. Dit verschijnsel wordt, zoals alle georganiseerde misdaad, nauwelijks zichtbaar in de algemene criminaliteitsstatistiek. Overigens kunnen dezelfde jongeren wel degelijk een rol spelen in de drugshandel en volgens de hier gehanteerde definitie worden gerelateerd aan georganiseerde misdaad.
In dit hoofdstuk hebben wij reeds uiteengezet dat de (georganiseerde) misdaad in Marokko zo weinig gewelddadig is. Dat geldt ook voor Marokkanen in Nederland. Zij scoren niet hoog als het gaat om geweldscriminaliteit (Werdmlder en Meel, 1993) en ook het aantal liquidaties in het milieu is gering. Bij alles wat we te horen hebben gekregen en in alle materiaal dat wij onder ogen hebben gehad, waren niet meer dan één bericht over een rippartij op Marokkanen door Antillianen, één bericht over een Marokkaanse coffeeshophouder die zich genoodzaakt zag rolluiken voor de ruiten aan te brengen toen iemand zich kwam wreken omdat de geleverde hash van inferieure kwaliteit was geweest, en één bericht over de gijzeling (door een Nederlandse bende) van een Marokkaan die zijn schuld nog moest betalen. In alle gevallen zijn zij slachtoffers en geen daders van geweld. Wij hebben deze betrekkelijke geweldloosheid binnen Marokko zelf in verband gebracht met de beheersstructuur van de overheid. Hier is de vraag aan de orde of haar invloed zich ook tot Nederlands grondgebied uitstrekt. Het is zonder meer duidelijk dat de geldzendingen naar huis van de emigranten een belangrijke bron vormen van de Marokkaanse economie en de overheid doet er alles aan om deze te continueren. In alle landen met Marokkaanse gastarbeiders is door de overheid een beheersstructuur opgezet die bestaat uit ambassades, consulaten, filialen van Marokkaanse banken, moskeebesturen; zelfs onderwijzers die overkwamen in het kader van het verzorgen van onderwijs in eigen taal en cultuur speelden hierin een rol (Lucassen en Kbben, 1992: 97). De culturele vereniging Amicales werd van deze beheersing het brandpunt en symbool. De emigranten behoorden hun plichten tegenover het koninkrijk te vervullen en van meet af aan was duidelijk dat politieke discipline zou worden afgedwongen door dwarsliggers van het politieke systeem lastig te vallen tijdens hun vakanties in Marokko of door hun achtergebleven familie onder druk te zetten. Die initiatieven en vooral Amicales zijn bekritiseerd als vormen van ontoelaatbare inmenging door een rechtse politieke organisatie in andere landen. In de jaren tachtig kwam de Unie van Marokkaanse Moslimorganisaties in Nederland (UMMON) daarvoor in de plaats. Rabbae (1993) heeft laten zien dat ook die in feite niet anders is dan een mantelorganisatie van de Marokkaanse overheid. Deze activiteiten vormen een rem op het inburgeren van Marokkaanse emigranten en dat lijkt ook de bedoeling te zijn. Deze ontwikkeling bereikte een dramatisch hoogtepunt toen de koning in het midden van de jaren tachtig verklaarde dat het niet in de bedoeling lag dat zijn onderdanen gebruik zouden maken van het stemrecht dat zij in Nederland voor lokale verkiezingen hadden verkregen. Deze ingreep was strijdig met de bedoelingen van het Nederlandse minderhedenbeleid. In de jaren negentig is het toneel weer veranderd. Thans voert de Marokkaanse overheid een buitenlands cultureel en politiek offensief om de verkeerde indruk weg te nemen. Journalisten, beoefenaren van de wetenschap, bestuurders en ambtenaren van politie en justitie worden door de Marokkaanse overheid uitgenodigd het land te bezoeken met de bedoeling zich ervan te overtuigen dat Marokko een moderne staat is en geen achterlijke tribale gemeenschap. Onder het motto dat je er zelf geweest moet zijn om er over te kunnen oordelen, spreken de reislustigen zich bij thuiskomst positief over het bewind uit. De Marokkaanse minister van Migratiezaken is in Nederland tegenover de minister die het minderhedenbeleid in haar portefeuille had, mevrouw Dales, komen verklaren dat hij persoonlijk niet tegen de integratie van Marokkanen in hun nieuwe vestigingslanden gekant was. Het is de vraag of Nederlandse politici en ambtenaren voldoende vertrouwd zijn met de subtiliteiten van de Marokkaanse diplomatie. Twee jaar daarvoor had koning Hassan II zelf tijdens een interview op de Franse televisie (in het programma 7 sur 7) verklaard dat Marokkanen wel Marokkaan moesten blijven. Hiermee was niets miszegd, maar de boodschap was in de Marokkaanse gemeenschap meer overtuigend overgekomen dan de persoonlijke gevoelens van de Migratie-minister. Wij gaan er dan ook vanuit dat ondanks alle interne en steeds wisselende strijdtonelen binnen de Marokkaanse gemeenschap, de invloed van de Marokkaanse overheid nog steeds aanzienlijk is.
IV.7. Georganiseerde misdaad onder Marokkanen in Nederland
Wat zien we van alle beschreven criminele activiteiten in Marokko in Nederland? In de sfeer van de zwarte economie zou men zeker moeten denken aan de invoer in Marokko van aanzienlijke hoeveelheden spullen die van diefstal in Nederland afkomstig zijn en die meereizen met de jaarlijkse grote parade van Marokkaanse vakantiegangers. Op zichzelf is dit nog geen georganiseerde misdaad. Dat is al meer het geval waar — en daar zijn systematische politieberichten over — deze goederen afkomstig zijn uit heling. Ook door niet-Marokkanen gestolen goederen worden geruild tegen drugs en die goederen worden weer naar Marokko gebracht. Wat er zeker wel toe hoort, is gesignaleerd in Midden-Nederland. Een Marokkaanse groep die uit ongeveer twintig personen bestaat, vervoert nu al meer dan vier jaar lang drie tot acht gestolen auto’s per week naar Marokko. De auto’s worden ‘s avonds gestolen en op een groot parkeerterrein enkele dagen koud gezet. De kentekens worden met zwarte tape veranderd. De chauffeur die ‘s nachts tussen 23.00 en 01.00 uur vertrekt, ontvangt tweeduizend gulden voor zijn taak en nog eens duizend voor zijn kosten onderweg. Tot het donkere gedeelte van de Marokkaanse informele economie rekenden we ook georganiseerde prostitutie. Ook in Nederland is in verschillende plaatsen onder Marokkanen pooierij vastgesteld. Dit geschiedt ook in georganiseerd verband. In Agadir in het zuiden van Marokko bestaat een organisatie waarvoor een zeer welgestelde dame vrouwen ronselt om als prostitué naar Nederland te gaan. In Nederland gescheiden Marokkaanse vrouwen zijn door criminele organisaties benaderd om in deze sfeer werkzaam te zijn en trouwens ook om hun legale status te gebruiken om Marokkaanse mannen aan een verblijfstitel te helpen. Een stel broers heeft kans gezien om via een Nederlandse vriendin die plotseling onder verdachte omstandigheden stierf, een seksclub over te nemen. Andere vormen van mensenhandel zijn eveneens waargenomen. In het Westland en andere tuinbouwgebieden, zoals bijvoorbeeld rond Rotterdam, zijn veel illegale Marokkanen aangetroffen (vergelijk ook Buijs, 1988 en Meinsma, 1994) maar niet duidelijk is in hoeverre hun overkomst door criminele organisaties is georganiseerd. Voorts zijn Nederlanders zelfs betrokken geweest bij het smokkelen van illegalen naar Europa. Kinderen klampten zich onder Nederlandse vrachtauto’s vast om de overtocht te maken en er zijn ook verstekelingen die het in het laadruim tot Nederland hebben gehaald. Tot zover het kleine werk.
Georganiseerde misdaad onder Marokkanen slaat natuurlijk in hoofdzaak op de handel in drugs. Cannabis wordt Nederland binnengebracht op veel verschillende manieren. Er zijn ten eerste de zogenaamde mieren die in hun personenauto iets meenemen. Soms zijn dit Nederlandse vakantiegangers of speciaal geronselde koerier(ster)s, soms Marokkanen die naar Nederland terugkomen van vakantie. Zij zijn kieskeurig en kleine partijen zijn doorgaans van de allerbeste kwaliteit. Grotere partijen gaan via campers die met de pont meereizen naar Spanje. Met oneindig veel nieuwe varianten wordt getracht de douane en de politie te omzeilen. Wat te denken van een behoorlijk groot transport dat is verstopt in een zogenaamd bij een verkeersongeluk gestrande caravan, die door de ANWB wordt gerepatrieerd? Grotere hoeveelheden gaan mee met de ongeveer 2000 tochten die vrachtauto’s per jaar uit Marokko naar Nederland maken. De smokkelwaar kan verborgen zijn in de vracht — het is aangetroffen in partijen textiel, in speelgoed en tussen aardappelen, groenten en fruit. Het kan ook zijn verstopt in speciaal geprepareerde bergplaatsen in het karkas van de vrachtauto zelf. Koelauto’s zijn populair, omdat door de douane moeilijk is vast te stellen of het dakschot een decimeter hoger is dan normaal, of er ruimte zit tussen het kopschot of dat het hele huis hydraulisch kan worden opgekrikt om laadruimte voor hasj te maken. De transportbedrijven die daarvoor worden gebruikt zijn van twee soorten: op zichzelf bona fide firma’s die er zich gewild (meestal) of ongewild (zelden) voor lenen, of bedrijven die speciaal voor dit doel zijn opgericht. De chauffeur rijdt zijn wagen naar een aangewezen plaats en komt hem, zonder de lading te inspecteren, na bijvoorbeeld twee dagen weer ophalen. Een veel voorkomende variant bestaat eruit een en dezelfde chauffeur van Marokko naar Spanje, Portugal en Frankrijk te laten rijden om dan onderweg de aanhanger met drugs los te koppelen en over te doen aan een chauffeur die met een trekker uit Nederland komt. De eerste chauffeur rijdt dan weer terug naar Marokko om een nieuwe lading op te halen. Over smokkelmethoden over de weg is meer te vinden in het branche-rapport over het wegvervoer in deze serie. Drugs kunnen voorts ook worden verstopt in autobussen die de oversteek maken. Het wordt verder per schip aangevoerd in kleinere hoeveelheden in plezierbootjes. Verder via vissersschepen die de hasj op volle zee overladen op zeeschepen. Of het reist verstopt mee in zeecontainers met reguliere lading.
In de jaren zeventig en tachtig zijn al deze smokkelsystemen op Nederland bedacht door Nederlandse drugshandelaren en -transporteurs. Zij wonen thans (nog) in Nederland, maar een kolonie heeft zich gevestigd in Malaga (van waaruit men heel gemakkelijk op en neer kan naar Marokko) en enkelingen ook in Marokko zelf. Met het uitroepen van de oorlog tegen de drugs, de groeiende macht van autochtone Marokkaanse drugsbaronnen en de steviger greep van (delen van) de overheid op deze handel, is het voor Nederlandse drugsondernemers moeilijker geworden om zelfstandig zaken te doen. De douane controleert strenger. Op grond van een kort geleden geïntroduceerde wet heeft de douane de bevoegdheid om zelfs bij het minste vermoeden van drugs de gehele (vracht)auto grondig te onderzoeken. In de wanden van koelwagens worden op een aantal plaatsen zonder pardon met een lange elektrische boor gaten geboord. Voorheen was het nog wel eens mogelijk om een kleine partij aan de grens te offeren: op het moment dat de complete douane zich daarop concentreerde, passeerden grote partijen in trucks de grens gezien. Nu weet de douane wel beter. De slachtoffers van deze thans primitief geworden smokkelmethode zijn individuele chauffeurs die wel eens wat willen proberen. Nederlandse vrachtwagenchauffeurs brengen hun wagens in grote compounds (tegen diefstal) en bij voorbeeld in Casablanca komen zij samen in vaste cafés. Zij worden daar, en ook zo maar op straat, door Marokkaanse handelaren benaderd met de vraag of ze iets mee willen nemen. Wie daar tegenwoordig op ingaat — het aanbod is een verdienste van f.50.000,- of meer — loopt een aardige kans dat hij op grond van een een-tweetje tussen de handelaar en een individuele douanebeambte wordt betrapt en in de gevangenis verdwijnt. Maar het is voorgekomen dat zijn lading dezelfde dag nog door een ander wordt uitgevoerd met hetzelfde noodlottige resultaat. In het tijdschrift voor wegtransporteurs en chauffeurs Truckstar staan het laatste jaar regelmatig reportages met de strekking dat je als chauffeur op geen enkel aantrekkelijk Marokkaans aanbod in moet gaan. Er zijn trouwens ook enkele voormalige Nederlandse chauffeurs die nu voor Marokkaanse organisaties werken en aan Nederlandse chauffeurs aanbiedingen doen. Wie geen risico wil lopen en de chauffeur geldt bij een vondst altijd als aansprakelijk, wordt overigens een elegante uitweg geboden. Bij de politie kan men tegen een gering bedrag zijn (vracht)auto geheel laten onderzoeken en verzegelen om deze tegen inspectie te vrijwaren.
Wie thans grote partijen hasj wil importeren, ziet zich genoodzaakt om bepaald andere maatregelen te nemen dan de Hollandse hasjhandelaren van de jaren zeventig en tachtig. De balans van de macht tussen Marokkaanse producenten en Nederlandse transporteurs is gelijk getrokken. De export van drugs uit Marokko moet volkomen gecontroleerd gebeuren en de relevante autoriteiten moeten zijn omgekocht. Dit gaat niet meer zonder belangrijke Marokkaanse drugshandelaren en dat is de reden waarom ook in Nederland Marokkanen zelf de kans hebben gekregen een groot deel van de handel in handen te krijgen. Met reden wordt zelfs gezegd dat in 1991 min of meer officieel een echt drugskartel is opgericht waarbij vooraanstaande Marokkanen uit heel Europa zijn betrokken. Bij de oprichting zou een overeenkomst zijn gesloten die inhoudt dat grote partijen verstopt in blikken olijfolie per schip naar Antwerpen zullen worden vervoerd en dat ze, na daar te zijn opgeslagen, in kleinere partijen zullen worden verdeeld om ze onder andere ook op de Nederlandse markt te verspreiden. Het is evenwel niet eenvoudig om zicht te krijgen op de omvang van de Marokkaanse drugshandel in Nederland. Voor de politie is het een gesloten wereld en van uitwisseling van informatie met collega’s in Marokko is nauwelijks sprake. Er zijn berichten dat medewerkers van consulaten zijn betrokken en op die overheid wil men niet vertrouwen. Moeilijk te volgen zijn de transacties op zichzelf overigens helemaal niet. Het vergt weinig verbeeldingskracht om te begrijpen wat drugshandelaren bedoelen als zij per telefoon spreken over film, onderwerp, linnen, witte en gele zijde, een kwaliteit van honderd procent, of wanneer (andere groep) zij het hebben over zeep, cassettes, kaas, thee en vliegtuigen. Ofschoon de aanwijzingen binnenstromen dat Marokkanen zich in Nederland in allerlei steden met de handel in hasj bezighouden, in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Helmond, Groningen, Venlo, Eindhoven, Maastricht, Tilburg en Leeuwarden, en ook dat de organisaties in kwestie hele ketens van coffeeshops, shoarma-zaken en broodjes-winkels van drugs voorzien, gaan de Nederlandse politie en justitie er slechts op beperkte schaal achteraan.
In 1990 en 1991 ontdekte de politie van Gooi- en Vechtstreek een grote Marokkaanse hasjhandelsorganisatie (onder te verdelen in drie families) met een hoofdkwartier in Hilversum. De vreemdelingendienst leverde de sociologische achtergrondinformatie. Het ging om Marokkaanse arbeiders die in de jaren zeventig waren gekomen om bij bedrijven te werken in het Gooi. Het waren mensen zonder veel opleiding: de meesten waren analfabeet en nadat de meeste mannen in de jaren zeventig en tachtig uit het arbeidsproces waren getreden, was een overgrote meerderheid thans werkloos. De vreemdelingendienst kenschetste ze als een ongeïntegreerde, kansloze groep en onder de tweede generatie had een aantal jongens reeds een flinke criminele antecedentenlijst opgebouwd. Hilversum bleek te fungeren als distributiecentrum voor (door Nederlandse transporteurs) uit Marokko aangevoerde hasj. Nederlandse en Marokkaanse klanten kwamen hier in het groot (tot duizend kilo toe) inkopen. De klant zette zijn auto neer op een aangewezen plek en overhandigde de groothandelaar in het koffiehuis zijn sleutels als de koop was gesloten. Een koerier reed de auto naar een geheime plaats waar de gekochte hasj achterin werd geladen en daarna werd de auto op een andere plaats neergezet. De klant kreeg zijn autosleutels terug en kreeg te horen waar hij zijn auto op kon halen. De politie was verbaasd over de openheid waarmee deze handel werd bedreven. Zij ontdekte een soort raad van bestuur van de organisatie in engere zin. De oudste zonen beheerden tien koffiehuizen, een slagerij, een videotheek, een lunchroom en een shoarmazaak. Andere familieleden vormden het personeel in deze middenstand. Sommigen fungeerden als koeriers en daar waren ook kinderen bij die hoeveelheden hash achter op hun fiets vervoerden. Anderen stelden (tegen betaling van f.25,- per kilo) hun huis of schuurtje ter beschikking als stash-plaats. Nu is de Marokkaanse gemeenschap in het Gooi maar klein (in Hilversum woonden 1.250 Marokkanen) en het aantal van hen dat bij de handel in hash was betrokken, was zo groot dat de politie besloot te gaan tellen. Zij kwam tot de slotsom dat in een meerderheid van de Marokkaanse families in het Gooi tenminste één gezinslid direct aan de hasjhandel deelnam of daar indirect van profiteerde (bij dat laatste moet men bijvoorbeeld denken aan een zuster van een handelaar die een fraai huis liet bouwen in Marokko). De geschatte jaaropbrengst van deze familie was tenminste 150 miljoen gulden, maar waarschijnlijk benaderde het bedrag van 300 miljoen de werkelijkheid beter. Thans is deze organisatie opgerold en de koffieshops zijn bij wijze van bestuurlijke maatregel dichtgespijkerd. Het ging hier echt om een concentratiepunt en de Gooise ervaring is helemaal niet representatief voor Nederland. Wat de politie met haar onderzoek had blootgelegd, was een schaduw-economie die het antwoord vormde op de uitzichtloze sociaal-economische positie waarin de Marokkanen zich bevonden. In Nederland leefden de bazen zo sober als van afgekeurde of ontslagen gastarbeiders werd verwacht; in Marokko bezaten zij hotels en ander onroerend goed. Het geld werd via de verzamelrekening van een filiaal van een Marokkaanse bank naar Marokko gesluisd. Intussen is Nederland is bedekt met een fijnmazig Marokkaans netwerk van cannabisgroothandelaren en detaillisten. Marokkaanse instituties worden er diep door geraakt.
Nog in 1983 heeft een toentertijd invloedrijke niet-ambtelijke werkgroep ad hoc onder leiding van de islamoloog J.D.J. Waardenburg vurig gepleit voor het stimuleren van de sociale functie van religieuze voorzieningen in het islamitische milieu in Nederland. De Nederlandse welzijnsinstellingen boden misschien geen geëigend kader voor groepen mensen in wier cultuur het onderscheid tussen kerk en staat niet of althans anders bestond dan in Holland en als de overheid deze groep met haar hulp wilde bereiken, bood de moskee een authentieke uitweg. Nu stelt de politie vast dat moskeeën in enkele gevallen de plaats vormen waar drugshandelaren elkaar ongestoord ontmoeten en zaken doen. Ook het familieverband blijkt een functie van verspreiding te vervullen. Mensen die betrokken zijn bij de import, stimuleren familieleden om mee te doen aan de groothandel en die doen weer een beroep op hun familienetwerk om mensen te vinden die hun huis als stash-ruimte willen verhuren (voor 25 gulden de kilo) zodat weer een ander familielid die in de coffeeshop over de sleutel beschikt als koerier kan dienen om de verkoper via de achterdeur van nieuwe hash te voorzien. De familie die in de drugshandel gaat, legt hutje bij mutje om een partij te financieren en vervoegt zich met haar plannen bij een drugslord in Marokko. Daar worden de werkelijke beslissingen genomen. De Nederlandse handelaren hebben hun rol teruggedrongen zien worden tot die van transporteurs. Zij beschikken over de transportfirma’s, het wagenpark en de loodsen op tal van industrieterreinen waar de grote partijen hash worden opgeslagen voor verdere distributie in kleinere partijen. Nederlandse groepen zijn bruikbaar omdat zij de transportschakel in de handelsketen beheersen en minder kans lopen te worden aangehouden door politie of douane, maar geld komt er niet eens meer aan te pas. De afrekening geschiedt door de Nederlandse drugshandelaars met een afgesproken quantum van de vervoerde hoeveelheid huns weegs te laten gaan. Deze ontvangen dan bijvoorbeeld een derde of een vierde om (bijvoorbeeld in Engeland) voor eigen rekening te verkopen.
Over de manier waarop de opbrengst wordt weggesluisd, kunnen we na het bovenstaande op zichzelf kort zijn. Een deel gaat via banken, een deel via het traditionele leencircuit, maar meestal, is onze indruk, worden de harde valuta zo maar in een zak of weggestopt in een reeks bergplaatsen aan de binnenkant van een grote jas, naar Marokko gebracht. Er wordt in Nederland nog nauwelijks geïnvesteerd, de ruimten waar men woont, werkt en dealt, zijn meestal gehuurd. De thans volwassen Marokkanen in Nederland zien hun aanwezigheid in Nederland nog steeds overwegend als een tijdelijke aangelegenheid. De familie brengt wel chique auto’s naar Marokko (oud gastarbeiders-ideaal) en koopt overigens grond, onroerend goed en een winkel. De Mas (1995) heeft in de Rif waar de Marokkanen in Nederland vandaan komen, een koortsachtige bouwactiviteit vastgesteld. Velen beleggen hun geld in een huis in de streek westelijk van de Rif en in de steden Tanger, Tetouan, Al Hocema, Nador en Oujda. Nergens worden zulke hoge economische groeicijfers gehaald als in dit gebied. Langs de kust tussen Ceuta en Tetouan verschijnen luxe villa’s, jachthavens en hotels.
IV.8. Georganiseerde misdaad begint op de hoek: een voorbeeld van Marokkaanse bendes
We blijven bij de kwestie van het wegsluizen en het gebruik van de revenuen toch langer staan omdat in Nederland een groot strafrechtelijk onderzoek is uitgevoerd dat weliswaar niet representatief is voor de handel zelf, maar dat wel een interessant licht werpt op de maatschappelijke habitus van de betrokken drugshandelaren. Het gaat hier om de zogenaamde Ramola-zaak die in 1993 en 1994 door de Rotterdamse politie is gedraaid. Plaats van handeling is de Rotterdamse wijk Spangen die ooit, vlak na de Eerste Wereldoorlog door niemand minder dan de architecten M. Brinkman en P. Oud is ontworpen als modelwijk voor vooruitstrevende arbeiders. Een echt rood nest werd het en het hoofdkwartier van de voetbalclub Sparta. Nu is het echter een van de laatste wijken waarvan althans een deel in aanmerking komt voor renovatie en hier heeft het door de stadsvernieuwing opgejaagde legertje van drugsdealers zich op dit moment gevestigd. De overlast is groot, het broeit in de buurt. De wijk is aan de voet van een afrit van de A16 gunstig gelegen voor drugstoeristen uit Frankrijk en België die goedkope drugs komen kopen in grote hoeveelheden, van goede kwaliteit en zonder het risico te worden aangepakt zoals door de politie in eigen land. Drugsrunners lokken de klanten al aan de grens, langs de weg en in de wijk en daar zijn jonge kinderen onder. Helsdingen en De Kleuver (1995) maakten op grond van een analyse van honderden waargenomen personen het profiel van drugsrunners en komen tot de conclusie dat in het jaar 1992 en 1993 niet minder dan 93% van Marokkaanse origine was. De buitenlanders kopen hier cocaïne die een Marokkaanse groep weer afneemt van mensen die afkomstig zijn uit de Dominicaanse Republiek en heroïne van een Turkse groep. Als mensen van een etnische groep die vertrouwd zijn met de klanten uit francofone landen, zijn Marokkanen de voor de hand liggende dealers.
De politie krijgt zicht op deze groepen als gevolg van een melding bij het bureau voor de Melding van Ongebruikelijke Transacties (MOT). In dit geval wisselde een onopvallende Marokkaanse man wekelijks grote hoeveelheden van allerlei Europese bankbiljetten en Amerikaanse dollars bij een filiaal van de Rabo-bank op de automarkt te Utrecht. Het onderzoek werd Ramola genoemd omdat het ging over Money Laundering bij de Rabo-bank. De hoeveelheid buitenlandse valuta was zo omvangrijk dat de filiaalhouder het niet meer aankon en de man die ze aanbood, verzocht voortaan op het hoofdkantoor in Utrecht te komen. De bank speelde het spel van de politie mee onder voorwaarde van vrijwaring en liet hem met steeds grotere sommen geld binnenkomen via een aparte zijingang. Nadat de man werd gevolgd naar Rotterdam, stelde de politie vast dat hij adressen in Spangen aandeed die bekend waren als drugspanden. Toen pas werd de politie en justitie duidelijk hoeveel geld er in de verdovende-middelen-handel in zo’n volksbuurt omging. Na het weekend had de bank geen voldoende tegenwaarde aan duizend-gulden-biljetten voor drie miljoen per dag! Dat het geld terechtkwam in Marokko bleek duidelijk via afgeluisterde telefoongesprekken, maar hoe dat precies ging heeft men niet waar kunnen nemen. De Nederlandse biljetten waren waarschijnlijk als baar geld door koeriers overgebracht. Op zichzelf waren die telefoongesprekken weer niet zo lastig te ontcijferen, de gesprekspartners hadden het over cassettes, biggetjes en tapijten en dat deze dingen er niet letterlijk mee konden zijn bedoeld, bleek toen iemand bijvoorbeeld drieënhalve cassette bestelde. Wanneer er politie in de straat was gesignaleerd zei iemand per telefoon: de insekten zijn in de straat. Na verloop van een jaar had de politie de groepen beter in beeld. Het ging om twee drugsorganisaties en een geldwisselorganisatie. In totaal leverde dat ongeveer 40 verdachten op. Er waren ook regelmatige handelscontacten met mensen in grote steden van Duitsland, België en Frankrijk.
Wie waren dat nu precies? De witwasser was een voormalige gastarbeider uit Casablanca die reeds lang was afgekeurd en een WAO-uitkering genoot. De ene drugs-organisatie bestond uit enkele jongemannen van de anderhalve immigrantengeneratie die afkomstig was uit het gastarbeiders-recruteringsgebied van de Rif. Ook in cultureel opzicht waren ze anderhalf: de opbrengsten van de drugshandel werden wel overwegend naar Marokko gezonden maar ze reden toch al in een mooie BMW, droegen snelle kleren en hielden er vriendinnen op na. De tweede drugsorganisatie was een uitermate gesloten en traditioneel Berbers gezin met een man aan het hoofd die op het moment van aanhouding 35 jaar oud was, maar er uitzag als een verweerde grijsaard van 60. Bij huiszoeking wist de politie niet wat zij zag. Volgens de meest conservatieve berekeningen moet deze familie die vanaf 1986 met drugshandel bezig was geweest, tot 1994 tientallen miljoenen guldens naar Marokko hebben overgemaakt. Deze uitkeringstrekkers die een huurhuis bewoonden en tien kinderen rijk zijn, bleken hun (niet ontwikkelde) kinderen geen betere slaapplaats aan te bieden dan een kartonnen doos. Volgens oude Nederlandse maatstaven moet je dit wel een onmaatschappelijk gezin noemen en de politie zag zich gedwongen om de kinderbescherming in te schakelen. Er was echter sprake van volledige scheiding van twee systemen, sociologische schizofrenie. Als de familie met Air Maroc naar huis vloog was dit altijd eerste klas. Er werd een bouwtekening aangetroffen van hun riante huis in Marokko met een zwembad op het dak. De drie families (twee drugsverkopers en een witwasser) samen hebben dankzij de opbrengst van hun buurthandel in drugs aantoonbaar over een reeks van jaren in Nederland en België vele miljoenen guldens naar Marokko overgemaakt. In deze Ramola-zaak komt het syndroom van criminele en deviante verschijnselen in volle omvang over het voetlicht. De bewoners van Spangen lopen te hoop tegen overlast in de buurt: er is lawaai, agressief optreden van klanten en dealers, huizen en straten krijgen een haveloos aanzien; Marokkaanse kinderen worden uitgebuit en verwaarloosd; er is sprake van ongeassimileerde buitenlanders die nochtans zo zijn aangepast dat ze het systeem in hun voordeel gebruiken; hun onwaarschijnlijk grote criminele winsten kunnen niet anders dan de concurrentie vervalsen binnen de economie van Marokko; hun geldzendingen veroorzaken zonder twijfel corruptie in de ambtenarij en dragen bij tot de verloedering van de politiek. Er is wel iets te zeggen voor de slogan van de Rotterdamse recherche dat de georganiseerde misdaad begint op de hoek van de straat.
IV.9. Conclusie
Ofschoon de Nederlandse politie en justitie noch enige andere overheidsinstelling erg veel belangstelling aan de dag hebben gelegd voor georganiseerde misdaad in Marokkaanse kring — als het om Marokkaanse criminaliteit gaat denkt men immers in de eerste plaats aan jeugddelinquentie! — bestaan er legio aanwijzingen dat de enorme en snel opgekomen cannabis-economie in Marokko ook onder Marokkanen in Nederland een stevig steunpunt heeft gevonden. De circuits waarin zich dit afspeelt zijn weinig doorzichtig en vanuit Marokko mogen weinig inlichtingen worden verwacht. Marokkanen, in alle sectoren van de overheid, zijn bij deze illegale activiteit betrokken en het land als geheel is er in toenemende mate economisch afhankelijk van geworden. Waren tot voor kort de geldzendingen van gastarbeiders uit het buitenland de voornaamste inkomstenbron voor ‘s lands betalingsbalans, deze functie wordt in toenemende mate overgenomen door de investeringen van drugshandelaren. Het gaat om beleggingen in de sfeer van huizen, grond en overheidsbedrijven die thans worden geprivatiseerd. De meeste Nederlandse Marokkanen komen uit het gebied waar de kif wordt geteeld en bewerkt. De combinatie van een traditie van ongebondenheid onder deze bewoners van de Rif en de slechte sociaal-economische vooruitzichten die zij hebben in de Nederlandse samenleving, maakt deze minderheidsgroep zeer bevattelijk voor inschakeling in de drugshandel. Ofschoon er duidelijk distributieknooppunten zijn aan te wijzen zoals in Hilversum, Brabant en Rotterdam, heeft het er alle schijn van dat Nederland via de Marokkaanse infrastructuur (winkels, moskeeën) wordt bedekt door een fijnmazig netwerk van verkooppunten van hasj. Dit netwerk is mogelijk nauw verbonden met een voor Nederlandse autoriteiten moeilijk te doorgronden politiek beheersingssysteem dat vanuit Marokko wordt geleid. Hoe omvangrijk het precies is en hoeveel hasj er door wordt omgezet, valt echter niet te zeggen. Er wordt onvoldoende politie-onderzoek gedaan om deze vraag naar behoren te kunnen beantwoorden. In vergelijking met drugsorganisaties in andere etnische groepen, is de Marokkaanse onderwereld in Nederland weinig gewelddadig. Marokko is het land van waar de (grote) Nederlandse cannabishandelaren een groot deel van hun koopwaar betrekken. Dezen hebben ernstig aan macht moeten inboeten toen de Marokkaanse druglords aan betekenis wonnen. Nederlanders worden thans vooral gebruikt voor het leveren van transportfaciliteit.
De oprichting van de politie in Marokko vond plaats aan het begin van de twintigste eeuw. De politieorganisatie in Marokko werd gevormd tijdens de Franse en Spaanse koloniale periode (1912 tot 1956). De eerste volledige politieorganisatie in Marokko werd door Frankrijk in 1913 opgericht (1).
Ook de gendarmerie in Marokko werd door Frankrijk tijdens de bezetting opgezet. De huidige Marokkaanse Koninklijke Gendarmerie, vergelijkbaar met de Nederlandse Koninklijke Marechaussee, werd officieel in 1957 opgericht. De oprichting was min of meer bedoeld om de Franse gendarmerie in Marokko uit de bezettingsperiode te ‘Marokkaniseren’. De term gendarmerie stamt uit het Franse woord gens d’armes, letterlijk vertaald: lieden met wapens. Is dus een politiekorps met militaire status die algemene politietaken uitvoert en onderdeel is van het leger.
Organisatie
De Koninklijke Gendarmerie werd opgericht in 1957 (Koninklijke wet van 29 april 1957). De oprichtingswet van de gendarmerie bepaalt dat de gendarmerie de sterke arm is belast met de openbare veiligheid en de ordehandhaving en de uitvoering van de wet (Art. 1 van de Koninklijke wet van 14 januari 1958). De gendarmerie vormt een onderdeel van de strijdkrachten. De eenheden van de gendarmerie zijn verspreid over het hele land en bestaan uit lucht- en maritieme brigades, die overal in het land in alle strijdkrachten kunnen worden ingezet. De gendarmerie is een paramilitair orgaan dat ter beschikking wordt gesteld van bestuurlijke autoriteiten. Op het platteland vervult de gendarmerie de rol van de reguliere politie als het gaat om rechtshandhaving en de openbare orde en veiligheid. Zij vervult in deze zin bestuurlijke taken ten behoeve van het ministerie van Binnenlandse Zaken en gerechtelijke taken ten behoeve van het ministerie van Justitie (2).
Gendarmes tijdens een demonstratie in de Rif 2017
38.000 man
De organisatiestructuur van de Marokkaanse gendarmerie zit niet bepaald eenvoudig in elkaar, het voert taken uit voor meerdere ministeries. Op papier valt de gendarmerie onder de afgevaardigde minister die verantwoordelijk is voor de organisatie van de nationale defensie (3) en vervult taken voor de departementen Justitie en Binnenlandse Zaken. De gendarmerie beschikt over een eigen inlichtingendienst, arrestatieteams, speciale eenheden, mobiele eenheden en laboratorium voor onder andere forensisch onderzoek. In 2018 was de Marokkaanse gendarmerie ruim 38.000 man sterk (4) en beschikte in 2013 over een budget van ongeveer 300 miljoen Euro (5).
De Koninklijke Gendarmerie is sinds 1999 opgenomen als lid van de FIEP-associatie, een internationaal samenwerkingsverband van politieorganisaties met een militaire status. De afkorting FIEP staat voor de opgerichte landen: France, Italia, España, Portugal. De Nederlandse Marechaussee is ook lid van deze organisatie.
De Marokkaanse gendarmes mogen wettelijk gezien niet lid zijn van een vakbond, politieke of religieuze organisatie.
In feite is de gendarmerie een zelfstandig militair politiekorps met een eigen militaire bevelhebber. Luitenant-generaal Mohamed Haramou werd in 2017 rechtstreeks door koning Mohamed VI benoemd tot commandant van de gendarmerie. De koning is de opperbevelhebber van de strijdkrachten waarvan de gendarmerie onderdeel van uitmaakt.
De voorganger van generaal Mohamed Haramou, generaal Hosni Benslimane (1935), stond 45 jaar aan het hoofd van de gendarmerie. Hij werd in 1972 door koning Hassan II benoemd tot commandant van de gendarmerie. In 2017 heeft koning Mohamed VI de 82 jarige generaal Hosni Benslimane vervangen door generaal Mohamed Haramou.
Mensenrechtenschending
In 2001 publiceerde de Marokkaanse Associatie voor de Mensenrechten (AMDH) een lijst met 44 leden van de veiligheidsdiensten die gedurende de zogeheten “Jaren van Lood” van Hassan II’s koningschap verantwoordelijk waren voor de folteringen van tegenstanders van het regime. De commandant van de gendarmerie generaal Benslimane stond op deze lijst, die werd opgesteld op basis van getuigenissen van de slachtoffers.
Generaal Hosni Benslimane
Internationaal arrestatiebevel
Tegen generaal Benslimane loopt een Europees onderzoek door de Franse rechter Patrick Ramaël die hem al tientallen jaren vervolgt voor de betrokkenheid bij de ontvoering van Mahdi Ben Barka, een opposant van de koning Hassan II van Marokko. Ben Barka werd in 1965 in Parijs ontvoerd. In 2007 heeft Interpol in verband met het gerechtelijk onderzoek in de zaak Ben Barka op verzoek van het Franse ministerie van Justitie een internationaal arrestatiebevel uitgevaardigd tegen de commandant van de Marokkaanse gendarmerie.
Gendarmerie verzorgt gedetineerden vervoer
De naam van de bevelhebber van de Marokkaanse gendarmes wordt ook genoemd in een onderzoek van de Spaanse rechter Baltasar Garzón over genocide en foltering in de Westelijke Sahara in de jaren 1976–1987. De Westelijke Sahara is een voormalige Spaanse kolonie die in 1975 door Marokko werd geannexeerd (de zg. Groene Mars). Mensenrechtenorganisaties en familieleden van slachtoffers hebben in september 2006 in Spanje een klacht ingediend in verband met de verdwijning van 500 inwoners van Westelijke Sahara na 1975.
Gendarmes in Westelijke Sahara
Gendarmerie-chef generaal Hosni Benslimane wordt verantwoordelijk gehouden voor de beruchte Tazmammart-gevangenis in de woestijn van Zuid-Marokko. Overlevenden van deze gevangenis getuigen dat zij als gevangenen in 1973 onder leiding van gendarmerie kolonel Faddoul uit de gevangenis van Kenitra werden ontvoerd en naar Tazmammart-gevangenis zijn gebracht. Ook bij hun vrijlating in 1991 was kolonel Faddoul aanwezig.
De vrouw van generaal Oufkir, Fatima Oufkir, getuigt in haar boek Geketend Door Een Koning, 20 jaar gevangenschap in de kerkers van Hassan II, 2001 dat de bevelhebber van de gendarmerie generaal Benslimane haar persoonlijk had ondervraagd nadat haar jongste dochter Maria uit een detentiecentrum was gevlucht. De familie Oufkir werd gevangen genomen nadat de vader, generaal Oufkir in 1972 een mislukte staatsgreep op koning Hassan II had gepleegd.
Gendarmes tijdens een demonstratie in de Rif 2017
Ook bij de arrestaties van de Riffijnse activisten was de gendarmerie aan te pas gekomen. De activisten van de Rif-volksbeweging (Hirak) zijn van Al Hoceima naar Casablanca over gebracht met een helikopter van de gendarmerie. Dat blijkt uit de foto’s en video’s waar leden van de gendarmerie naast de helikopter te zien zijn toen de ontvoerde Riffijnen geboeid en geblinddoekt uit de helikopter werden gehaald. Er zijn getuigenissen die verklaren dat de ontvoerde Riffijnen aan boord van de vlucht zijn gemarteld en werden bedreigd in de zee te worden gegooid. Het laatste gebeurde ook met de gevangen van Kenitra gevangenis toen ze werden ontvoerd en naar Tazmamart werden gevlogen.
Helikopter van de gendarmerie
Onschendbaarheid
Het Marokkaanse parlement heeft in 2012 een wet aangenomen die het onmogelijk maakt om militairen te vervolgen. Artikel 7 van deze wet zegt: ‘’Militairen van de koninklijke strijdkrachten die hun werk op een normale wijze uitvoeren, in overeenstemming met de bevelen die zij van hun superieuren hebben ontvangen, in het kader van een militaire operatie op het nationale grondgebied, worden strafrechtelijk niet aansprakelijk gesteld”.
(1) Morocco: A country study (Area handbook series) [Harold D Nelson] 1985.
(2) Justitiële Verkenningen, jaargang.27, nr. 5, 2001. Een gezamenlijke uitgave van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het ministerie van Justitie en Kluwer.
(3) Koning Hassan II heeft de post van minister van defensie na de mislukte coup van 1972 afgeschaft.
(4) lisankom.com
(5) alyaoum24
Gendarmes tijdens de begrafenis van de vader van gewetensgevangene Ilyas El-Hajji, 24 april 2018
Hirak betekent zoveel als beweging. Het in beweging komen van de burger om onderdrukkende, ondermijnende en onrechtvaardige (post)koloniale structuren en instituties effectief te laten wankelen.
De Hirak heeft in mij als Marokkaanse Amazigh vrouw onverwacht een gevoelige snaar geraakt. De Amazigh identiteit is een fundamenteel onderdeel van mijn pluriforme identiteit. Niet alleen geografisch, ik ben in de Rif geboren, maar ook sociaal en politiek affilieer ik me met de ‘vrije mensen’, zoals het woord ‘Imazighen’ zich laat vertalen.
Ondanks mijn ouders’ migratie naar Nederland, ben ik me altijd pijnlijk bewust geweest van de door de Marokkaanse — Arabisch nationalistische — staat veronderstelde inferioriteit en ontembaarheid van Imazighen. Rabat prefereert en privilegieert haar makke onderdanen, of zij nu ingezetenen zijn van Marokko of behoren tot de wereldwijde diaspora.
Dus op Nederlands grondgebied zette zij haar vernederende en onderdrukkende beleid ten aanzien van de Imazighen voort door consulaten, waar we door de verplichte Marokkaanse nationaliteit zo afhankelijk van zijn, uitsluitend te bemensen met Arabisch en Frans sprekende ambtelijke gezagdragers. Marokkaanse migranten die alleen Thmazight of Thashelhit (het Amazigh dialect uit het zuiden) spraken werden zo herinnerd aan hun tweederangs burgerschap en afhankelijk gemaakt van de gunst van de ambtenaar. Aan die gunst zat een prijskaartje: een ‘kopje koffie’, oftewel een onderhandse betaling aan de ambtenaar bovenop de verschuldigde leges. Vernedering en spot kreeg je er gratis bij.
Durfde je als ‘Riffi’ of ‘Rwafa’ (meervoud), bij voorkeur met dedain uitgesproken, te weigeren mee te werken aan de typisch Marokkaanse corruptie, dan werden er ter plekke schijnprocedures verzonnen waar je niet de juiste documenten voor had en kon je zwaar gefrustreerd, onverrichter zake naar huis. Een klachtenformulier was er niet. Ik beweer overigens niet dat geografisch en door zichzelf en/of Marokko als Arabisch identificerende Marokkanen vrijgesteld waren van de corruptie. Ik zeg wel dat hen de voor Imazighen gereserveerde minachting en de uitsluiting door de opgeworpen taaldrempel bespaard is gebleven.
Terug naar Hirak. Hier in Nederland zijn wij door onze Amazigh identiteit ‘slechts’ geconfronteerd met de geringschatting en bureaucratische belemmeringen van het Marokkaanse regime. In de Rifregio hebben Imazighen naast de vernedering ook decennialange systematische onderdrukking en achterstelling te lijden gehad.
De gevolgen daarvan, armoede en uitzichtloosheid, dreven de eerste generatie gastarbeiders naar Europa. Voor ons, hun kinderen en kleinkinderen, is die migratie een zegen gebleken waar we nog elke dag van profiteren, eerlijk is eerlijk.
De Marokkanen die naar Europa geëmigreerd zijn, waarvan het overgrote deel uit het Rifgebied komt, vormen een van de belangrijkste inkomstenbronnen van de Marokkaanse staat. Door de belastingen die zij daar betalen over hun vastgoed, door de overgemaakte gelden naar familie, door de jaarlijkse vakanties.
Dit is de Rif niet aan te zien. Economische bedrijvigheid is er volop, maar waar de staat aan zet is, in democratie, zorg, onderwijs, infrastructuur en mensenrechten: een deerniswekkend gebrek aan zelfs het meest basale.
In een gebied waar door de Franse en Spaanse gifgasaanvallen in de jaren twintig, met toestemming van de Marokkaanse sultan, het aantal gevallen van kanker het hoogst is in Marokko, is een (oncologisch) ziekenhuis een basisvoorziening.
Ik spoel even door naar de actualiteit. Dit onrecht aan de kaak stellen, door middel van vreedzame demonstraties heeft geresulteerd in de ontvoering en gijzelneming van de meest prominente Hirak activisten door een criminele organisatie, oftewel Makhzen of Marokkaanse staat. De gijzelaars hebben aangekondigd dat de gijzelnemingen tussen de 1 en 20 jaar zullen duren, de duur van de gijzeling correleert met de effectiviteit van het activisme van de gegijzelden.
Ik schrijf dit zo op, omdat ik geen enkele politieke of morele legitimiteit wil verschaffen aan een marionettenkabinet, een zelfverrijkende monarch en een corrupt, justitieel systeem dat liegt, steelt, martelt, verkracht, ontvoert en gijzelt. Iets mooiers kan en wil ik er niet van maken. Dit is de wrange werkelijkheid.
Soms toont onrecht zich kristalhelder. Een ieder die erop afdingt verraadt dan een belang in het voortduren van dat onrecht of op zijn minst een belang in het zoveel mogelijk onbestreden laten van het onrecht in kwestie. Denk er maar over na, overal waar rechten verworven worden, verliest een andere groep privileges, persoonlijk gewin of simpelweg comfort.
De weerstand die elke emancipatiebeweging zonder uitzondering voor haar kiezen krijgt, komt altijd uit de hoek van mensen en instituties die weten dat zij met het slagen van elk emancipatieobjectief van de betreffende beweging, macht en welvaart zullen moeten opgeven.
Demonstreren tegen onrecht door je afschuw, verbolgenheid, snedigheid en analytisch vermogen te etaleren op sociale media is prima en vaak zeer onderhoudend. Het is echter ook impotent. Verlies van macht en privileges door de gevestigde orde is de beste graadmeter voor het succes van je emancipatiebeweging en niet de aandacht die je genereert, meer ‘representatie’ of het tot wondermiddel gebombardeerde ‘diversiteit’.
Die zorgen er namelijk niet voor dat de macht en de middelen overgeheveld worden naar de achtergestelde groep, maar dat er zich doodleuk een nieuwe elite van ‘haves’ vormt, bestaande uit, zelfbenoemde, ‘representanten’ van de ‘have-nots’.
Wat dan wel, in vredesnaam?
Het principe en de leidraad die ik bij de beoordeling van mijn eigen acties en die van anderen in mijn achterhoofd houd is dat activisme de activist en de gevestigde orde iets moet kosten en de zaak iets moet opleveren.
Ik nodig u van harte uit deze formule toe te passen op alle emancipatiebewegingen. Waarschijnlijk zult u, net als ik, tot het schrikbarende besef komen dat het zeer reële en omvangrijke rendement van bühne activisme ten goede komt aan de activisten zelf en de gevestigde orde een graantje meepikt door de bühne te bieden. Podia, uitgevers, media, politieke partijen, Twitter en Facebook profiteren volop.
Natuurlijk draagt bühne activisme heus bij aan het onkwantificeerbare ‘publieke bewustzijn’, maar dat is bijvangst die zich zelden vertaalt in een structurele verbetering van de omstandigheden van de groep waarvoor men zegt op te komen.
Na dit theoretisch intermezzo, kom ik ter zake:
Hoe kunnen wij, Marokkaanse Nederlanders, de Marokkaanse gevestigde orde macht en daarmee arrogantie laten verliezen en ze zo bewegen de Hirak activisten vrij te laten?
Mahkzen is in Marokko een ander woord voor de Marokkaanse staat of de heersende klasse, oftewel het centrum van politieke, economische, justitiële en militaire macht. Taalkundig is de betekenis van het woord te herleiden tot ‘warenhuis’, ‘opslagplaats’ of ‘schatkist’.
Het Koninklijke investeringsfonds Al Mada is de grootste aandeelhouder in de belangrijkste, zeer winstgevende Marokkaanse bedrijven, onder vele anderen: de Attijari Wafa Bank, telecombedrijf INWI, energiebedrijf Nareva, mijnenbedrijf Managem Group, supermarktketen Marjane.
De publieke sector functioneert alleen daar naar behoren waar het de Makhzen geld oplevert. De inning van leges, belastingen en de obligate steekpenningen is opvallend goed gestroomlijnd. Voor goede zorg of onderwijs is men in heel Marokko aangewezen op particuliere scholen en klinieken en op aalmoezen van buitenlanders.
Dit maakt kraakhelder dat de corebusiness van de koning en zijn Makhzen, winstmaximalisatie is. Het volk vervult in deze toko vooral de rol van belastingbetaler, consument en goedkope arbeidskracht.
In Marokko geen trias politica, maar een koninklijke CEO en elitaire raden van advies, bestuur en aandeelhouders. Een warenhuis met een geweldsmonopolie.
Met haar offensieve economische beleid heeft de Makhzen zich economisch oppermachtig en tegelijkertijd politiek kwetsbaar gemaakt.
Boycots zijn tot op heden, naast demonstraties, het elegante, want geweldloze maar trefzekere antwoord van de Hirak op de tirannie van de Makhzen geweest.
Met het onthouden van onze euro’s en erkenning aan de Marokkaanse Makhzen kunnen we ze, vanuit het veilige Europa, met relatief gemak een gevoelige slag toebrengen.
Eigenlijk weten Marokkaanse Nederlanders dit allang. Toch is het op wat schandegeroep, (dis)likes en retweets na opvallend stil op de sociale media accounts van normaalgesproken maatschappelijk betrokken en geen blad voor de mond nemende Marokkaanse Nederlanders.
De gangbare verklaring is dat men bang is. Dat geloof ik direct, de vraag is alleen: waar zijn ze bang voor?
Welke belangen hebben tweede en derde generatie Marokkaanse Nederlanders in Marokko die zwaarder wegen dan solidariteit tonen met het vertrapte volk, de vermalen Fikri en de gegijzelde activisten? Behalve zon, zee, strand, lekker eten (een zwaardvis-tagine wellicht), vastgoed (al dan niet verborgen voor de Nederlandse belastingdienst), handelsrelaties en fijne werkbezoekjes aan Marokko?
Gearresteerd word je niet als je de Makhzen boycot en zeker niet als je uit protest wegblijft uit het land. Wil je jouw familieleden graag zien, haal ze voor een vakantie naar Nederland en sta garant voor een visum. Maak je je zorgen om de bevolking die leeft van het toerisme? Maak geld over naar ingezetenen van Marokko en vraag ze ondernemers te sponsoren.
De kinderen die toeristen sigaretten, zonnepitten en soms hun lichaam aanbieden zullen je dankbaar zijn.
Mijn analyse is dat de calculerende Marokkaanse Nederlander zijn of haar privileges, persoonlijk gewin en comfort, zowel hier als in Marokko veilig wil stellen door zich weliswaar uit te spreken tegen het onrecht in Marokko, maar niet zo hard dat men er aanstoot aan zou kunnen nemen.
Zo kunnen ze hier de antiracisme activist blijven uithangen en de materiële en immateriële opbrengsten daarvan verzilveren en ondertussen de persoonlijke en zakelijke banden met de Makhzen handhaven.
Dit is geen afrekening, maar een confrontatie met een ongemakkelijke, zelfs pijnlijke waarheid over onszelf. Velen van ons hebben zich laf en egoïstisch getoond toen we zelf geprivilegieerd bleken, maar die privileges niet wilden opgeven. We zijn zo gewend geraakt aan gratis, zelfs lucratief activisme, dat we vergeten zijn dat strijden voor rechtvaardigheid elders soms lijf en altijd goed kost.
Dus laten we elkaar voortaan niet vervelen met vlammetjes en prullenbak emojis boven retweets , maar deel wat je doet en laat om de onderdrukkers politiek en economisch te castreren. Zeg niet: ‘we zijn allemaal Nasser Zefzafi’, zeg: ‘we zijn allemaal het regime, de Makhzen. ’
Vraag je af op welke manieren je onbewust en ongewild bijdraagt aan de verwerving en consolidatie van de macht van die Makhzen en handel er vervolgens naar via boycot. Zo nemen we onze verantwoordelijkheid in het bestrijden van onrecht.
Onrecht waar we, anders dan in het geval van bijvoorbeeld de Palestijnse zaak of Trump’s grensbeleid, rechtstreeks invloed op kunnen uitoefenen.
Onrecht dat zich in het geval van Hirak kristalhelder toont.