Africa Cup of nations 2013: Zuid Afrika – Angola en Marokko – Kaapverdië

Africa Cup of Nations 2013. Inmiddels zijn alle zestien deelnemers aan de Africa Cup of Nations 2013 in actie gekomen. De messen zijn geslepen, de scouts hebben hun aantekeningen gemaakt en de eerst klappen zijn uitgedeeld. Vandaag Zuid Afrika – Angola en Marokko – Kaapverdië.

Favoriet Ivoorkust wint van Togo

De laatste twee duels in de eerste speelronde vonden plaats tussen Ivoorkust en Togo (2-1) plus Tunesië en Algerije (1-0). Volgens velen is Ivoorkust de grootste kanshebber op de titel. Kijk je puur naar de selecties van de zestien deelnemers, dan zitten de meeste sterren inderdaad in de selectie van het West-Afrikaanse land. En voor Nederlandse toeschouwers, is het een leuke bonus dat ze spelen in een Oranje tenue.

Yaya Toure was met een schot van afstand verantwoordelijk voor de 1-0 van Ivoorkust. Zijn inzet werd van richting veranderd. Vlak voor rust scoorde Jonathan Ayite de 1-1 uit een corner. Gervinho van Arsenal krulde de bal diep in de tweede helft keurig uit een vrije trap in een hoekje van de goal. Zo ontsnapte de grote favoriet aan puntverlies. Al in de derde minuut kon Togo toeslaan, nadat Kolo Toure over de bal trapte en Adebayor de bal er alleen nog in hoefde te rammen. Keeper Boubacar Barry had een katachtige reflex in huis.

Het Noord-Afrikaanse onderonsje met Tunesië en Algerije bood weinig vermaak. Youssef Msakni maakte de enige goal met een streep van een bal in de hoge rechterhoek van het doel. Hij deed dat net op tijd, want er waren al negentig minuten gespeeld.

Uitslagen Africa Cup of Nations:

Ivoorkust – Togo 2-1
Tunesië – Algerije 1-0
Zuid Afrika – Angola (16.00 uur)

Gastheer bafana bafana opende het toernooi met een gelijkspel tegen Kaapverdië. De 0-0 toonde aan dat Zuid-Afrika klasse voorin ontbeert. Het wordt nog lastig om deze groep te overleven, want de vier landen zijn aan elkaar gewaagd. Angola heeft daarentegen wel een gereputeerde spits in de gelederen, namelijk Manucho die ooit voor Manchester United speelde. Hij heeft in 38 interlands al 21 keer gescoord. Bij Zuid-Afrika zijn middenvelders Kagisho Dikgacoi en Lerato Chabangu geblesseerd.

Marokko – Kaapverdië (19.00 uur)

De eerste wedstrijd van deze twee landen was onbevredigend. Beide lieten zo nu en dan hun voetballende vermogen zien, maar het leek te ontbreken aan durf of de wil om voluit te gaan. Aan weer een gelijkspel hebben de landen nu niets. Marokko heeft nog Younes Belhanda achter de hand, de 22-jarige middenvelder van de Franse landskampioen Montpellier.

Rachid Taoussi, bondscoach van Marokko, was tevreden met het spelbeeld tegen Angola. “We schiepen ruimte en speelden de bal goed rond. We hebben een jong team. De gemiddelde leeftijd is 24 jaar. We moeten geduld hebben.”

Historische goal Platini voor Kaapverdië tegen Marokko

5153048-7690348Met dank aan Platini beleefde Kaapverdië een historische avond. Marokko redde een punt tegen de Kaapverdianen (1-1), waardoor beide landen nu twee punten hebben.

oor Kaapverdië was kwalificatie voor de strijd om de Afrika Cup ten koste van Kameroen al een stunt op zich. Op het toernooi zelf maken De Blauwe Haaien een goede indruk. Op het 0-0 gelijkspel tegen Angola volgde een historische wedstrijd tegen Marokko.

Marokko-bondscoach Rachid Taoussi heeft op papier een beduidend sterkere selectie tot zijn beschikking dan zijn collega van Kaapverdië, Lúcio Antunes. Zo kwamen voormalig Eredivisie-krachten Nordin Amrabat, Karim El Ahmadi, Oussama Assaidi en Mounir El Hamdaoui aan de aftrap bij De Leeuwen van de Atlas, waar Toni Varela van Sparta Rotterdam de Nederlandse eer hoog hield bij De Blauwe Haaien.

Maar de grotere namen ten spijt, Kaapverdië kwam in de eerste helft beter voor de dag in Durban dan Marokko. In de 35ste minuut vertaalde zich dat in de score. Luis Soares (foto), die de bijnaam Platini draagt, tekende voor de eerste Afrika Cup-treffer van Kaapverdië in de geschiedenis van het Afrika Cup-toernooi.

Onnodig balverlies van El Ahmadi vormde de inleiding voor de openingstreffer. Pas in de 78ste minuut kwam Marokko op gelijke hoogte. Youssef El-Arabi, ingevallen voor Amrabat, tekende voor de verlossende 1-1. Ondanks hachelijke momenten voor het Kaapverdische doel kwam Marokko niet verder dan de gelijkmaker.

Het resultaat was een teleurstelling voor Marokko, dat in het laatste groepsduel met Zuid-Afrika een pijnlijke uitschakeling moet voorkomen. Het contrast met Kaapverdië, waar Guy Ramos (RKC Waalwijk) in de slotfase zijn opwachting maakte, was groot.

De ploeg van Antunes vierde een volgend feest en heeft zicht op meer aanleiding voor uitbundigheid. Met twee punten en het duel tegen Angola voor de boeg is de kwartfinale haalbaar. Zuid-Afrika leidt me vier punten, Kaapverdië en Marokko staan op twee, Angola heeft één punt.

Word vriend van de AmazighTimes op Facebook

De Vlaming als Berber

Opinie: door Mohamed Talhaoui

Indien je de zoon bent van migrantenouders, of je nu hier geboren bent of niet, dan moet je twee keer opletten voor je een mening verkondigt over een uiterst delicate zaak, zoals de mogelijke splitsing van België. Het doet er niet toe dat je die mening als nieuwe Belg of Vlaming, door de jaren heen, zelf hebt gevormd op basis van objectieve feiten.

De perceptie in Vlaanderen overheerst dat die nieuwe bevolkingsgroep zich over dit thema niet mag uitspreken, omdat dat hun zaken niet zouden zijn -“hou u met Marokko of Turkije bezig”-, of in het ergste geval, dat die groep maar al te graag, uit rancune, het land van een ander zou willen zien splitsen. Het is daarom dat rond deze kwestie ogenschijnlijk het grootste taboe heerst in Vlaams allochtonenland.

Toch merkte ik dat in Franstalig België allochtonen volop politiek worden ingezet om de eenheid van België te bezingen en in het Frans de solidariteit in België op te hemelen.

Bij nader inzien gebeurt dit ook in Vlaanderen, maar op een subtielere manier: allochtonen die door de traditionele partijen in de parlementaire etalagekast worden uitgestald, moeten vooral de wijsheid van de koning, de meerwaarde van de Belgische diversiteit en het gevaar van de N-VA onderstrepen; en die in diezelfde beweging, meestal achter de schermen, eveneens hun onvoorwaardelijke trouw uitspreken aan de Marokkaanse koning en de weldaden van zijn autocratisch regime bezingen.

Onder de parlementairen van Marokkaanse origine kan men zelfs spreken van een uiterst gênante verafgoding van Mohammed VI. De redenering bij onze traditionele partijbonzen luidt dat, indien zij die koning op handen kunnen dragen, ze dat zeker ook met Albert II kunnen.

Hoewel mijn opvattingen over de ideale staatsvorm eerder republikeins zijn, moet ik eerlijk bekennen dat ik ‘staatkundige’ linken heb met drie monarchieën: één van afkomst (Marokko), één uit geboorte (Spanje) en één door nationaliteitsverwerving (België)). Deze positie maakt het wel interessant om politieke vergelijkingspunten te hebben en dieper naar onderliggende maatschappelijke problemen te kijken.

Om de zaken te vereenvoudigen wil ik mijn aandacht toespitsen op Marokko en vervolgens vooral op België. Maar eerst vooraf ter verduidelijking: iedereen heeft (persoonlijke) redenen om voor of tegen een onafhankelijk Vlaanderen te zijn. Meestal betreft dit dan één of meerdere beleidsdomeinen waarover men diep ontevreden is.

Het (falende) beleid inzake diversiteit op de werkvloer (de OESO brandmerkt België al jaren als één van de meest racistische landen op vlak van onderwijs en arbeidsmarkt) is voor mij persoonlijk één van die indicatoren voor het meten van de kwaliteit van de democratie in een rechtstaat. Geldverslindende en tegelijk inefficiënte nep-maatregelen op dit vlak, maar ook op andere vlakken, doen hoge scores van ongebreideld Belgisch wanbeheer vermoeden. Maar wat heeft een Vlaming nu met een Berber te maken?

Marokko is een absolutistische monarchie van Saoedische migranten die hun legitimiteit baseren op de islam. De koning heerst als Arabier, samen met een minderheid Arabieren, over een absolute meerderheid Berbers, zonder veel aandacht te besteden aan hun sociaal-economische leefomstandigheden of hun culturele eigenheid.

De Arabieren in Marokko -en meer bepaald slechts enkele Arabische families- zijn eigenaars (‘ownership’) van het staatsapparaat en van de grootste delen van de economie. De Berber vindt in de bestuurlijke administratie -die hem van bovenaf wordt opgedrongen- haast geen spoor terug van zijn taal en cultuur, afgezien dan van wat folklore.

Hoewel er heel recent oppervlakkige hervormingen zijn doorgevoerd, blijft de Marokkaanse koning heer en meester van het politieke spel. Het credo ‘verdeel en heers’ geeft hierbij de politieke toon aan en bijgevolg kunnen hij en zijn familie gulzig rijkdommen blijven accumuleren. Van enig toezicht op de koninklijke functie is weinig of geen sprake.

Mohammed VI wordt in tijden van ‘Arabische lente’ voor de ogenschijnlijke stabiliteit in Marokko (mede dankzij de instandhouding van een grote ongeletterdheid van de bevolking) door de EU vorstelijk beloond met immer intensere samenwerkingsverdragen, dit in ruil voor interessante handels- en investeringsmogelijkheden.

Bij heel dit gebeuren spelen Marokkaanse migranten in Europa, buiten wat opgepookt ‘cheerleader-schap’, geen enkele noemenswaardige rol. Meer nog, volgens mij moet historisch nog worden vastgesteld of het echt economische gastarbeiders waren of veeleer politieke vluchtelingen. Dit is belangrijk omdat we zo kunnen achterhalen waarom het integratiebeleid in België voor die groep nooit heeft gewerkt.

Op het eerste gezicht is België uiteraard een heel ander land. België camoufleert echter de onderliggende realiteit dat leden van twee naast elkaar levende cultuurgemeenschappen niet dezelfde rechten hebben. De stem van de Vlaming is principieel minder waard dan de stem van de Franstalige. De Vlaamse meerderheid wordt in het overgrote deel van de staatsmacht politiek besluiteloos gehouden en kan juridisch enkel die beslissingen nemen en uitvoeren die de goedkeuring wegdragen van de geprivilegieerde Franstalige minderheid.

De Vlaamse politieke klasse zou opheldering moeten vragen over die institutionele onrechtvaardigheid en meer bepaald over haar historische onomkeerbare politieke toegevingen. Op de keper beschouwd wordt in dit land echter constitutioneel de expliciete instructie gegeven ideologische bondgenoten te gaan zoeken aan de andere kant van de taalgrens, hetgeen ik ‘electoraal extra-territoriale pactvorming’ zou willen noemen.

Beter is met de gemeenschapsgenoten rond de tafel te zitten en de (historische) diepliggende meningsverschillen met elkaar uit te praten en samen te plannen wat in sociaal-economische termen het algemeen belang zou moeten zijn inzake het toekomstig beheer en de sociale samenhang van hun respectievelijke territoria.

Wat in België gebeurt, is dat de koning als een ‘deus ex machina’, eraan te pas moet komen om aan het begin van de regeringsformatie, in het proces van die electoraal extra-territoriale pactvorming, een gedetailleerd federaal regeerprogramma voor de komende periode te ‘faciliteren’.

Dit programma speelt zich af binnen een zeer beperkte ‘perimeter’: gelet op de belabberde begrotingstoestand, de grote, tegendraadse politieke visies en de gebetonneerde bepalingen in de grondwet betreffende de instellingen en bevoegdheidsverdelingen in het land, kan uitsluitend beslist worden over slechts zeer beperkte sociaal-economische maatregelen: een subsidie meer of minder hier, een gevangenisstraf meer of minder daar en al dan niet minimale herzieningen van de belastingen.

De naast elkaar levende inwoners in dit land wordt daarmee de kans ontnomen om, onder het verre maar nodige EU-beleid, een staatsstructuur te laten inwerken die dicht bij hen staat en een beleid op maat te kunnen voeren. Dit staatkundig euvel levert wanbeleid op.

Zo wordt op het vlak van het anti-discriminatiebeleid, de kans niet gegrepen om met de directe stakeholders rond de tafel te zitten, de problemen ten gronde en objectief te analyseren en daarop een gepast totaalbeleid te richten met ‘volheid van bevoegdheid’: van migratietoegang tot anti-racisme in het tewerkstellings-en promotiebeleid. De waarheid in dit land is echter dat statistieken op dit domein zelfs tussen de regio’s niet te vergelijken zijn omdat dit ergens politiek wel eens te gevoelig zou kunnen liggen.

Biedt ‘confederalisme’ dan mogelijk een oplossing? Ja, maar enkel als het uit de populistische sfeer wordt gehaald. Immers, grondwettelijk is het N-VA-voorstel om de regio’s te laten beslissen wat ze nog wel federaal willen houden en al de rest aan bevoegdheden -wat ze niet meer samen willen doen-, te laten overhevelen naar de deelstaten, in geen geval mogelijk zonder voorafgaand akkoord met de Franstaligen.

Indien de N-VA dit toch eenzijdig zou willen doen, dan treedt ze buiten het kader van de Belgische rechtsregels: eerst een akkoord krijgen van de Franstaligen over elke mogelijke hervorming, dan pas hervormen of er verandert … niets (en dit, voor zover die artikels van de grondwet voorafgaandelijk door de vorige regering voor herziening vatbaar zijn verklaard). Het tegendeel beweren is in dit kader het verkondigen van onhaalbare praatjes, dus populisme. Dit laatste dwingt alle partijen er evenwel toe haarfijn te definiëren wat zij dan wel onder dat concept ‘confederalisme’ verstaan; en vooral, welke tijdspanne zij daarvoor politiek hanteren. Het zou alvast getuigen van al te lang mak gehouden politieke partijen, die voor de toekomst wel degelijk een inhoudelijk verhaal te vertellen hebben. Of nu België blijft bestaan en in welke vorm is eigenlijk niet eens zo relevant. Veel belangrijker is dat het institutionele kader gedragen wordt door de meerderheid van de bevolking en wel in staat is efficiënt beleid te voeren. Men kan er niet omheen dat de institutionele vragen zwaar wegen op de politieke besluitvorming van dit land, met alle blokkeringen van dien. Je kunt daarvan weglopen en vrezen dat dit een rechts Vlaanderen in de hand werkt, of je kunt als links Vlaanderen je eindelijk ontdoen van de Franstalige voogdij en rechts Vlaanderen niet met ondemocratische macht maar wel met progressieve argumenten en resultaat gericht beleid te lijf gaan. Wat de bevolking ervan vindt, splitsen of niet en in welke verhoudingen, blijft tot nu toe ’s lands best bewaarde geheim. Dat laatste kan men idealiter nagaan door middel van een al dan niet vrijblijvend referendum zoals men in België heeft gehouden ivm. het al dan niet terugkeren van Koning Leopold III na WO II. Het komt mij voor dat het al dan niet bijeen houden van het land een soortgelijk gewicht vertegenwoordigt.

Kiest men in alle landsdelen in meerderheid voor België: geen probleem, dan kan men het huidige moeizame proces van staatshervormingen met vallen en opstaan verder zetten, gezien een terugkeer naar een unitair België nauwelijks steun geniet. Indien er na een grondig publiek debat en het houden van een referendum in één of ander landsdeel toch iets anders uit de bus zou komen, dan zou dit een doorslaggevend startsein kunnen worden voor de gehele Belgische politieke klasse om zich prioritair bezig te houden met wat de burgers in dit land echt bezighoudt: niet het huidige ‘gerommel in de sociaal-economische marge’ van een overmachtige en op geld beluste particratie -om een regering de volgende stembusslag te laten overleven-, wel de uitbouw van een democratische en efficiënt werkende rechtstaat die welvaart en vrijheid garandeert voor haar respectievelijke burgers en perspectief biedt aan hun kinderen, wit of zwart. In dat opzicht is het uitvoeren van een inter-universitaire studie inzake een mogelijk splitsingsscenario voor België, slechts één van de middelen die het debat zullen verrijken. Het biedt eveneens de kans om de soms uiterst beledigende visies en meningsverschillen in dit land, maar eveneens in het debat binnen in de deelstaten, te objectiveren en zo ruimte te creëren voor enige fatsoenlijke en redelijke uitwisseling. Ten slotte: van de instandhouding van taboes zijn bitter weinig mensen beter geworden. Enkelingen worden beter van door populisten gecreëerde luchtbellen: die spatten toch vroeg of laat uit elkaar; en de Vlamingen en Berbers van deze wereld zijn daar al te vaak de dupe van.

Van een reorganisatie is nog nooit een leerling beter geworden

Eén belangrijke groep, de docenten, dreigt in de fusieplannen van de Rotterdamse ROC’s onder te sneeuwen

Het valt te prijzen dat de Rotterdamse roc’s Albeda en Zadkine overwegen om te fuseren om zich vervolgens op te delen in kleine specialistische mbo colleges. Ze tonen hiermee lef, beantwoorden aan diepgewortelde wensen uit de samenleving en de bestuurders cijferen zichzelf, althans op papier, weg. Eén belangrijke groep, de docenten, dreigt in de fusieplannen echter onder te sneeuwen en dat is vreemd, want juist zij maken het verschil.

De de-fusieplannen van de Rotterdamse ROC’s Albeda en Zadkine, zoals zij deze megaoperatie zelf noemen, lezen als een nostalgische schoolgids van vroeger die je op zolder onder het stof vandaan haalt. Niets doet je vermoeden dat de fusieplannen de grootste verandering in het Rotterdamse onderwijsaanbod ooit met zich mee brengen. Want, ga maar na, voor technische beroepen komt er een MTS, voor economisch-administratieve beroepen komt er een MEAO, enzovoorts. Allemaal zeer vertrouwd in het gehoor en allemaal naar de menselijke maat.

Naast nostalgisch zijn de fusieplannen ook actueel en geven ze blijk van realiteitszin. Actueel omdat beide roc ’ s hun opleidingen in de toekomst, veel meer dan nu het geval is, zeggen te zullen afstemmen op de vraag uit de arbeidsmarkt. Hiermee reageren zij op de kritische signalen van werkgevers die steen en been klagen over zowel de kwaliteit als het aantal met name technisch geschoolden dat de arbeidsmarkt opgaat.

Actueel ook omdat de fusieplannen niet bestuur en management, maar scholen en scholieren op de eerste plaats zetten. Hiermee wordt beantwoord aan een diep gekoesterde wens uit de samenleving. Hoeveel onderzoeksrapporten hebben de afgelopen jaren de grote afstand tussen bestuur en werkvloer niet blootgelegd. Om deze reden zien de fusiepartners in de toekomst geen plaats meer voor een raad van bestuur. Het is nu echt aan de scholen en de scholieren om te laten zien wat ze kunnen.

De fusieplannen zijn zoals gezegd ook realistisch. Een fusie tussen twee grote roc ’ s levert in de regel een onderwijsreus op van naar schatting veertigduizend scholieren, een stad in een stad. Tot voor kort de droom van menig onderwijsbestuurder, maar dat is na het Amarantis-debacle geen begaanbare weg meer. Albeda en Zadkine lijken hier geleerd te hebben van de fouten van anderen. Daarom gaan de fusiepartners, tegelijk met de fusie zelf, zich transformeren tot kleinere, overzichtelijke mbo-colleges gespecialiseerd in techniek, hulpverlening of administratie.

So far, so good; stuk voor stuk plannen die klinken als een klok. Er is namelijk ook geen objectieve reden waarom twee grote roc’s, die financieel allebei in zwaar weer zitten, hetzelfde onderwijsaanbod in een en dezelfde stad moeten verzorgen. Vandaar een fusieplan waarin nagedacht is over de menselijke maat, over de school voorop stellen en over waar je als school toe op aard bent; namelijk het vormen van leerlingen tot zelfbewuste burgers en hen opleiden tot gekwalificeerde vaklieden. Maar voor welk probleem is dit eigenlijk een oplossing? Van een reorganisatie, ongeacht of dit een fusie of de-fusie is, is nog nooit een leerling beter geworden.

Des te opmerkelijker is het dat de plannen voorbij lijken te gaan aan de positie en de kwaliteit van de docenten. In ieder geval wordt daar vooralsnog onvoldoende bij stilgestaan terwijl we elders in de krant wel lezen dat zowel Albeda als Zadkine flink in hun docententeam moeten snoeien om het hoofd boven water te houden. Het is algemeen bekend dat goed onderwijs valt of staat bij goede docenten die hun vak verstaan. Investeren in goed onderwijs betekent ontegenzeggelijk ook investeren in een goed docententeam want het zijn nog altijd de docenten, en dan met name in de technische opleidingen, die het verschil maken maar waar nu de schoen knelt.

Niet dat docenten een doel op zich zijn, want dat is en blijft, door goed onderwijs, zelfbewuste burgers en bekwame vaklieden af te leveren, maar juist hierbij is de kwaliteit van de docent cruciaal. Zijn er in de de-fusieplannen bijvoorbeeld genoeg bekwame docenten om het technisch onderwijs te verzorgen waar de arbeidsmarkt om schreeuwt? Bovendien worden de slagingsnormen in het MBO verzwaard. Worden docenten in stelling gebracht om hun leerlingen klaar te stomen voor deze zwaardere normen of legt men zich op voorhand neer bij nog meer vroegtijdige, en dus ongekwalificeerde schoolverlaters.

Fouad el Haji

5145906-7679945

Berbers en Romeinen

Door: Bart

Hassan heeft me uitgenodigd om het weekend door te brengen in zijn geboortedorp in het Anti-Atlasgebergte. Deze streek van Marokko wordt voornamelijk bewoond door de Amazigh, bij ons beter bekend als Berbers.

Toen de Arabieren in de zevende eeuw Noord-Afrika veroverden bevolkten de Berbers het gebied al. Vandaag maken de ze naar schattig tussen de 40 en 60 procent uit van de Marokkaanse bevolking. Velen leven in de meer bergachtige streken van Marokko, maar ook de bevolking van de kuststad Agadir bestaat hoofdzakelijk uit Berbers.

Berbers hebben hun eigen taal en zelfs een eigen geschrift, hoewel dat laatste door maar weinig mensen beheerst wordt. De laatste jaren is de Berbercultuur bezig aan een opmars. Terwijl uitingen ervan vroeger onderdrukt werden door het Arabische bestuur van het land, hebben de autoriteiten zich recentelijk toegefelijker opgesteld. Sinds de laatste grondwetswijziging, in mei vorig jaar, is het Tamazight, een van drie in Marokko bestaande Berbertalen, erkend als officiële taal. 5137847-7667425

De Amazigh of Berbers hebben ook een eigen kalender, hoewel die in de praktijk slechts een folkloristische waarde heeft. Toch maken sommige verenigingen gebruik van de gewonnen vrijheid om het Amazigh nieuwjaar te vieren, zoals het geval was dit weekend in het dorpje waar ik was. Op het centrale plein van het dorp werden optredens georganiseerd, onder het toeziend oog van de gendarmerie, bezorgd dat de nieuwe culturele vrijheid tot al te veel subversiviteit zou leiden.

De volgende dag zit samen met Hassan en een Franse vriend thee te drinken in het salon van Hassan’s ouderlijke huis. Zijn nichtje Meriem is er ook bij, en regelmatig loopt ze over en weer naar de keuken met nieuws over wat de buitenlanders aan het doen zijn. Wanneer ze in de keuken haar verhaal doet heeft ze het steeds over “roemies”, het Berberse woord voor Romeinen. Sinds de tijd dat het Romeinse Rijk delen van Noord-Afrika controleerden zijn de Berbers het woord blijven gebruiken om Europeanen aan te duiden. Ook de benaming “Berbers” zou uit diezelfde tijd stammen. De Romeinen beschouwden de volkeren aan de rand van hun rijk naar verluid als barbaren, en de Arabieren namen het woord later over om de oorspronkelijke bevolking van Noord-Afrika te benoemen.

Verwaarloosde Riffijnen

Said Elhaji

We hebben geen Marokkanenprobleem, maar een Berberprobleem.’ Dat zegt ene Saliha Mejout. Wie zij is en wat zij doet, weet ik niet. Waarom zij door ThePostOnline is gevraagd om haar licht te laten schijnen op deze prangende maatschappelijke kwestie, weet ik ook niet. Maar we leven in een vrij land en dan mag iedereen zijn licht laten schijnen op welke kwestie dan ook. Inhoudelijk slaat haar analyse, of wat daarvoor moet doorgaan, de plank nogal mis. Ze erkent dat het probleem ‘hem in de opvoeding’ zit. Maar de vraag die ze dan stelt, ‘uit welk gezin kom je, een Arabische of een Berberse?’, is in het geval van het ‘Marokkanenprobleem’ niet zo heel relevant. Jonge meiden als zij worden in een moderne stad als Casablanca, waar de jeugd veelal Arabisch (maar Franssprekend) is, ontraden om alleen over straat te gaan. Ze worden er namelijk iets te vaak lastiggevallen door de Arabische mannen. En in Egypte beklagen buitenlandse vrouwelijke journalisten zich over de brutale handtastelijkheden en aanrandingen begaan door Egyptische mannen. Berberprobleem?]b

Dat Marokkaanse jongeren zich kunnen misdragen tegenover vrouwen, weten we. Het is onderdeel van het Marokkanenprobleem. Gesteld dat het allemaal Berberjongeren zijn die deze misdragingen tegenover vrouwen begaan, dan hebben ze het gedrag in ieder geval gemeen met de Arabische jongeren uit Casablanca en Caïro. Tegelijkertijd laat het zien dat het Marokkanenprobleem helemaal niet een specifiek Marokkaans probleem is. En als we de brute verkrachtingen in een land als India in ogenschouw nemen, dan moeten we ook concluderen dat het geen specifiek Arabisch probleem is.

Marokkanen worden weleens beschuldigd van racisme. Racisme onder Marokkanen maakt dan ook deel uit van het Marokkanenprobleem. De ‘analyse’ van Mejout, dat Arabische opvoeding beter is dan Berberse, is een racistisch vooroordeel. Hoe ironisch, dat een model-Marokkaanse als zij, geboren en getogen in Breda en gematigd moslim, onderdeel blijkt te zijn van het probleem dat zij denkt te benoemen. Maar racisme is natuurlijk ook geen specifiek Marokkaans probleem, want het komt overal voor.

Waar hebben we het dan eigenlijk over als we het hebben over een Marokkanenprobleem? En is de islam onderdeel van dit probleem, zoals de PVV stelt?

Om met de eerste vraag te beginnen: het is niet duidelijk wat met het Marokkanenprobleem bedoeld wordt. Volgens de een gaat het voornamelijk om criminaliteit en geweldpleging begaan door Marokkanen. Maar volgens de PVV gaat het ook om racisme en religie. Zo schrijven Geert Wilders en Joram van Klaveren in een stuk op ThePostOnline van 9 januari jl.: ‘Eén van de grootste problemen in Nederland – en wellicht de grootste bedreiging voor de stabiliteit van onze samenleving – is de ontwrichtende invloed van de islam. In ons land uit zich dat in het Marokkanenprobleem.’ Kortom, het Marokanenprobleem is onderdeel van de islam en niet andersom. Daarmee is het echte probleem, volgens de PVV, de islam.

Ik ben het daar niet mee eens. Hoewel er moslims zijn die de religie misbruiken om zichzelf en hun kinderen in het gareel te houden, en daarmee een succesvolle integratie bemoeilijken, met alle gevolgen van dien, valt de bewering dat het Marokkanenprobleem een islamitisch probleem is niet vol te houden. Ik zie in ieder geval niet hoe dat vol te houden is. Het valt namelijk niet te ontkennen dat geweldpleging, racisme en vrouwonvriendelijkheid overal voorkomen. Ja, in het ene land komen ze meer voor dan in het andere. Ja, in het ene geval spelen cultuur en religie een grotere rol dan in het andere. Maar de vraag is dan: waar ligt dat aan? Waarom vinden de meeste moorden in Honduras plaats? Waarom worden de meeste terreuraanslagen in Irak gepleegd? Waarom wordt er in Congo relatief veel verkracht? En dan zien we niet alleen dat ons Marokkanenprobleem weinig voorstelt, maar ook dat de mens in barbarij vervalt wanneer er weinig orde heerst. Waarmee niet gezegd is dat we dus moeten doen alsof er niks aan de hand is, maar wel dat Marokkaanse Nederlanders – nog meer dan andere migranten − er een zooitje van maken. Dat ligt niet in de eerste plaats aan de islam, maar aan een gebrekkige cultuur en opvoeding. Daarin moet ik Saliha Mejout gelijk geven. Want de cultuur van de Marokkaanse Berbers, en dan met name de Riffijnen, is lange tijd door allerlei omstandigheden van politieke en economische aard verwaarloosd geweest.