Syrische Alawieten vrezen Soennitische wraak.

Opinie door: c.e. yildirim

Vervolgd sinds de tijd van de kruistochten tot aan het einde van de Ottomaanse tijdperk, door sommige moslims beschouwd als ketterse sekte, de Alawieten ondanks zij een kleine minderheid vormen in Syrië, regeert deze minderheid Syrië bijna al een halve eeuw.

Terwijl al-Assad’s troepen de soennitische opstandelingen en Al-qaida gelieerde milities (die inmiddels een prominent plek in het conflict veroverd hebben) met het harde hand neerslaan, pleegt de pro-regerings militie de ‘shabiha’ een ware slachting aan onder de Syrische burgerbevolking.

Van een Arabische lente is absoluut geen sprake. De Oorlog veranderd in een sektarisch conflict, een soennitische gewapende oppositie ten opzichte van een Alawitische regime. Veel leden van de gemeenschap zijn bang dat ze zullen worden gemarginaliseerd als de Soennitische meerderheid de macht grijpt. Gezien hun ervaringen van onderdrukkingen in de geschiedenis, heeft de oppositie hun angsten alleen maar aangewakkerd.
Een veel voorkomende leus van demonstranten: ‘Alawieten in het graf en Christenen naar Beiroet’.

De Alawieten zijn een halve eeuw aan de macht in Syrië, hier lijkt een snel einde aan te komen. Sektarische oorlogen hebben hoge prijzen, het zwaarste wordt altijd betaald door minderheden.

De voormalige Amerikaanse ambassadeur Peter W. Galbraith, die getuige was van de etnische zuiveringen in het voormalige Joegoslavië, maakte een voorspelling. “De volgende genocide in de wereld”, zei hij, “zal waarschijnlijk tegen de alawieten in Syrië plaatsvinden.”

De ijzingwekkende werkelijkheid van het midden oosten.

Marokko, voorbij het racisme

AmazighTimes:Mesbahe, El Baghdad

Wie de commentaren van verschillende overheden over Marokko leest, zou denken dat het land een voorbeeld is voor de rest van Noord-Afrika en de Arabische Wereld. Wie zijn neus dieper in de Marokkaanse zaak steekt, ruikt niet anders dan een gigantische meur. In Marokko is geen sprake meer van racisme. We moeten ons oprecht afvragen of er in het land niet een apartheidspolitiek heerst.

Een van de grootste Marokkaanse digitale kranten, Hespress.com, peilt geregeld de meningen van haar bezoekers. Niets mis mee. Maar sommige gepubliceerde stellingen zijn te bizar voor woorden, en als ik niet zou weten dat Hespress een serieuze krant is, dan had ik er geen aandacht aan besteed.

Enkele stellingen:
1.Moeten Imazighen als burgers of als slaven worden behandeld?
2.Vind je dat Imazighen in Marokko mogen blijven?
3.Mogen Amazigh-namen officieel gebruikt worden?

Wat de resultaten op deze doorgedraaide stellingen ook zijn, de vraag die wij moeten stellen is: Wat wil de krant met deze vragen bereiken?
In de 22 jaar dat ik in Nederland woon, heb ik nog nooit iemand dergelijke woorden horen gebruiken. Zelfs rechtse kranten of politieke partijen niet. Maar wij zijn in Nederland. Gelukkig maar.

De meeste papieren/digitale kranten in Marokko worden door de staat gesubsidieerd. Wanneer deze kranten kritiek leveren op de staat of de koning dan zullen ze geen lang leven beschoren zijn. Maar als deze zelfde kranten bizarre stellingen poneren die politieke-segretatie suggereren is dat geen enkel probleem. Het justitieapparaat onderneemt geen actie. En dat is precies waarom Hespress dergelijke stellingen poneert. Aangepakt worden ze toch niet, sterker, de Marokkaanse overheid vindt olie op het vuur van gevoelige zaken heerlijk.

Sinds 2007 adviseren enkele Nederlanders met een Marokkaanse achtergrond de koning van Marokko over de in het buitenland wonende Marokkanen, deze commissie heet CCME. Bij oprichting hebben veel mensen zich afgevraagd wat deze Nederlanders in die raad te zoeken hebben? Commissieleden als historica Nadia Bouras en Abdou Menebhi (het is mijn onduidelijk op welke gronden deze man in de commissie zit). Deze leden weten net als iedereen dat Marokko alles behalve een democratie is. Het schijnt dat de bijeenkomsten van CCME drank- en vreetorgies zijn. Misschien is dit reden waarom alle mensenrechtenschendingen plots door de commissieleden vergeten wordt.

Vorig week, zes jaar na zijn benoeming, heeft Abdou Menebhi in een Youtube-filmpje de CCME de oorlog verklaard en zijn vertrek aangekondigd. Een besluit dat ik van harte toejuich. Ondertussen vraag ik mij een ding af: Wat is de werkelijke reden van Menebhi’s vertrek? En ik kan maar een reden bedenken: de consumptiebonnen zijn op.

Kerst, dat waren de anderen

Door: Asis Aynan

Na het vakkenvullen ging ik naar vader.

Itri stond tussen de rolstoelen en rollators. Ook een man in een paarse badjas die een rekje op wieltjes bij zich had, waar een zak met vloeistof aanhing, stond erbij. Hij hield de aluminiumstaf stevig vast. Het shagje in zijn andere hand gloeide niet. Niemand sprak. Ze keken over de half gevulde parkeerplaats. Normaal zouden alle parkeergelegenheden bezet zijn. Het was kerstavond. De eigenlijke rookplek van het ziekenhuis was een paar meter verderop. De glazen cabine was leeg. Het verbaasde mij mijn broer te zien. Hij mocht het gebouw niet meer in. Ziekenhuisverbod.

Vorige week stapten Itri, moeder en een onbekende man in de lift van het hospitaal, waarvan een deel ooit een klooster was geweest. De man staarde moeder met een vuil gezicht aan. Vlak voordat hij op de vijfde verdieping wilde uitstappen, zei hij knarsend: ‘Vrouw van Bin Laden.’ Hij kreeg de kans niet zich uit de voeten te maken. Mijn broer trok de man naar binnen. De deuren drukten zich tegen elkaar aan. Moeder probeerde Itri los te trekken. Het lukte haar niet. Toen moeder het verhaal vertelde, klonken in mijn fantasie de slagen van Itri’s knokkels op het gezicht en hoofd van de man als het applaus na een goed concert.

Op de elfde lag mijn vader. Van daaruit werd de man naar de eerste hulp gebracht en Itri naar het politiebureau. Na verhoor lieten ze hem gaan. Er werd geen aangifte gedaan. Itri’s lichaamsbouw lijkt gemaakt te zijn voor oproer. Het is fors en bonkig. Hij lijkt op vader. Ik heb meer weg van mijn moeder: klein en onrustig. Bij mijn geboorte was Itri elf maanden oud. We zijn in hetzelfde jaar geboren. Hij in januari en ik in december. Net als onze geboortemaanden zijn we in lichaam en karakter elkaars uitersten, maar zonder elkaar zou niet kunnen – alle uitersten raken elkaar. Itri’s eerste schreeuw vond plaats bij een heldere nacht. De hemel was volgeplakt met honderden fonkelende sterren. Op mijn eerste dag kon niemand door een aanhoudende sneeuwbui een hand voor ogen zien.

‘Ben je weer begonnen?’ vroeg ik aan Itri. Hij nam een trek van zijn sigaret en knikte. ‘Wil je ook?’ Ik schudde van nee.

‘Je weet dat je vader niet mag bezoeken.’

‘Ik heb konijn gekocht.’

‘Konijn?’

‘Ja, zullen we straks bij mij thuis een stoofpotje klaarmaken?’ vroeg Itri.

Er verschenen steeds meer witte strepen op het parkeerterrein.

‘Je wilt niet naar boven, hè,’ zei Itri. Hij had gelijk. Het ziekenhuis was een plek waar ik niet graag kwam. De lucht is er vol onheil. En mijn vader te zien liggen in dat ziekenhuisbed maakte mij diep ongelukkig. Het gevoel van ongeluk was niet het ergste. Ik was vooral bang voor het mechanische op en neer bewegen van vaders borstkas, de slang in zijn mond die met doorzichtig plakband op zijn plek werd gehouden, het geluid en de lichtjes van alle techniek rondom het bed. Hij was wewa niet, hij was een verlengstuk van de apparaten, hij was een ding.

‘Moeder is bij ’m. Laten we naar mijn huis gaan.’

Itri had een kleine kerstboom gekocht. Hij stond in een zwarte emmer in de hoek van zijn flat zonder kerstballen of slingers, die lagen in hun verpakking op de eettafel.

Met een sigaret in zijn mond hakte en sneed Itri het konijn dat op een plasticplank lag in stukken. In mijn jeugd slachtten wij thuis allerlei dieren in de douche. De betegelde ruimte fungeerde als abattoir. Konijnen, hanen, drie geiten en zelfs een schaap hebben er het leven gelaten. Hanen waren het lastigst om te doden. Hun verwaande karakter en talent zich los te maken van de grond kon na de slacht een enorme smeerboel geven. De bademmer waar wij zondags in werden gewassen moest direct, nadat mijn vader de halsslagader in één uithaal had doorgesneden, eroverheen geplaatst worden. Dat scheelde moeder poetswerk.

De dieren kochten we bij Mildor, een verzekeringsagent uit Cruquius die met het verkopen van dieren een flinke zakcent bijverdiende. Toen we een paar maanden in Nederland woonden kregen we via via de tip dat we bij Mildor dieren konden kopen. Hij vroeg een keer aan mijn vader of we geïnteresseerd waren in een kameel. Hij had een afgedankte circuskameel gekocht. ‘Dat beest moet door al dat geren in de piste geweldig mals vlees hebben ontwikkeld.’

Ik moet een jaar of tien zijn geweest. We waren iets langer dan een jaar in Nederland. Mijn uitgesproken zinnen waren nog zonder bijwoorden en voegwoorden. Het was kerstvakantie en waar je keek lag een laagje sneeuw. Ook de kale bruine takken van de populieren bij ons in de straat waren bedekt. De sneeuw op de takken had iets weg van een oefening in de evenwichtskunst. Op de televisie werd in een film het verhaal van Jezus verteld. Boven in de badruimte slachtte vader een konijn en leegde moeder de emmer. Terwijl Jezus een gigantisch houten kruis een berg opdroeg, moest ik van moeder de onbruikbare ingewanden in de gemeentelijke
vuilcontainer weggooien. Op straat voelden de darmen en andere organen
warm aan in de plastic tas. Ik dacht aan Jezus, waardoor ik de auto niet hoorde. De auto remde, maar te laat. De klap was niet hard, maar met een smak viel ik in de sneeuw. Ik weet nog dat de harde plof mij verraste, omdat ik vergeten was dat onder het sneeuwdek bakstenen lagen. De bestuurster stapte uit en haar gezicht werd net zo grauw als de grijze lucht. Ze nam een flinke hap lucht en krijste: ‘Hij is dood! Hij is dood!’ Maar dat klopte niet. Ik wilde haar vertellen dat Jezus dood was en dat de ingewanden die in de sneeuw dampten niet van mij waren. ‘Jezus konijn. Ik dood,’ zei ik vanaf de grond tegen de mevrouw.

Itri had het gemarineerde konijn in een terracotta stoofpot gelegd en de stukken vlees omringd met groenten en bedekt met gedroogde vijgen en groene olijven. ‘Wil je nog een biertje?’ vroeg ik toen hij de tajine in de oven stopte. ‘Vind je het
niet raar dat ik een kerstboom heb gekocht?’ Ik haalde mijn
schouders op. ‘Weet niet.’
‘Ik voel me niet goed, Adfer,’ zei Itri. ‘Sinds vader in dat ziekenhuis
ligt…’ Hij maakte zijn zin niet af en liep weg naar de
huiskamer. Ik bleef achter in de keuken. De ziekte van vader
werkte verlammend op ons gezin. Niemand was zichzelf
meer. We werden gegijzeld door het idee dat hij ieder moment
kon sterven. We leefden met de rem op ons verstand.
Niets was zoals het ooit was. Niets was meer gewoon. Eigenlijk
was hij al dood, maar door die slang in zijn mond werd hij
in deze wereld gehouden. Niemand durfde dit uit te spreken
en wat niet uitgesproken wordt bestaat niet.

Ook al was Kerstmis niet ons feest, ik begreep waarom Itri
voor de boom, het konijn en de kerstballen had gezorgd. Ze
moesten ons opbeuren.

Vanaf het aanrecht staarde de rode gevilde konijnenkop mij
aan. Vaders lievelingsstuk. ‘Wil jij ’m?’ had Itri bij het opmaken
van de tajine gevraagd.

‘Ik denk niet dat ik het lust,’ antwoordde ik, maar de ware reden was dat ik mij bezwaard voelde om aanspraak te maken op vaders stukje. Wat zou er gebeuren als ik het zou eten? De ziekenhuisopname had mij behept met superstitie. Ik wist niet dat ik het vermogen tot bijgeloof bezat. Maar nu alles was veranderd, dacht ik dat elke gedachte en iedere keuze grote gevolgen kon hebben voor het lot van mijn vader.

Itri stond voor het boompje en hield een zilverkleurige slinger vast, alsof
hij niet goed wist wat hij ermee aan moest. Hij droeg een zwarte spencer
met daaronder een glanzend wit overhemd. De casual mode van die tijd schreef voor dat de blouse uit de spijkerbroek gedragen moest worden. Het stond hem goed. Op de lagere school maakten we bloemstukjes,
versierden we kunststofballen met gekleurde paillette en knipten we dennenbomen uit groen papier; als we onze werken mee naar huis namen, verloren ze daar iedere vorm van betekenis. Vader en moeder zeiden meermaals dat ze het mooi vonden, maar ze wisten simpelweg niet wat ze met de objecten aan moesten. Net als ik; wat op school waarde had, was thuis verworden tot een zinloos ding.

Ik pakte van tafel een pakje kerstballen. ‘Voor een gelukkige kerst,’ las ik hardop. Samen versierden we de kerstboom die dertig centimeter hoog was. De kerstboom tooien voelde niet onnatuurlijk. ‘Het is de eerste keer dat ik dit in een familiale omgeving doe,’ zei ik.

‘Ik ook,’ lachte Itri. ‘En het voelt helemaal niet slecht.’

‘Het voelt eerlijk gezegd wel goed,’ vulde ik hem aan.

Uit de stoofpot, die op de eettafel stond, steeg een stoomwolk op. Itri plaatste snel en hard de deksel terug. De terracotta pot kraakte. Ik zag het aan de stand van Itri’s ogen. Het klopte niet waar wij mee bezig waren. Ik stond op en nam het kerstboompje in mijn armen. ‘Neem jij de tajine mee?’ We pakten ons en het eten goed in. ‘Wacht,’ zei Itri. ‘Dan neem ik nog wat bier mee.’

Itri reed en had een supermarkttas met het gebakken konijn aan het stuur bevestigd. Ik had beide benen aan één kant en de emmer met de boom op mijn schoot. Ik moest aan Zwarte Pieten in een auto denken. De man in de paarse badjas stond er weer. Misschien was hij niet weggeweest. Hij glimlachte. De verlichte parkeerplaats was autoloos.

‘En als de nachtwaker mij ziet?’

‘Gewoon doorlopen.’

‘Ja, zeg!’ schreeuwde de bewaker. ‘Dat kan zomaar niet.’

‘Fuck,’ hoorde ik Itri achter mij. ‘De lift, snel.’

Itri tikte achter elkaar tegen de pijl-omhoog-knop. De nachtportier was achter de balie gekomen en liep onze kant op.

‘Waar gaat dat naartoe, familie Rmesta?’ De portier droeg een zwart pak. De metalen speld in de vorm van een vinkje op de linkerrevers bewees dat hij een gekwalificeerd bewaker was en ons op die manier mocht aanspreken. De paarse badjasman kwam erbij staan.

Tegen Itri zei de bewaker: ‘U weet dat u een ziekenhuis…’ Met een zwiep stompte de badjasman tegen de slaap van de nachtportier, die bewusteloos op de grond kwakte. ‘Zo,’ zei hij na de stoot. ‘Tijd voor een shagje.’

‘Wacht,’ zei Itri en haalde een blikje bier uit de tas dat hij aan hem gaf. ‘Kijk eens, voor jou.’ De badjasman liep terug naar buiten en ging naast zijn infuusrek staan.

Moeder zat op een stoel en had haar hoofd in vaders handpalm gelegd. Het bevreemdde haar niet om ons, de stoofschotel en de kerstboom te zien. Het leek alsof ze dit alles wel van haar zoons had verwacht. Ik duwde een tafel tegen het benedeneinde van vaders bed, waar ik het uitgedoste boompje op plaatste. Itri zette de tajine op de nachtkast. ‘Nee, die doen we hier,’ zei moeder en legde het aardewerk tussen vaders benen in. Ze haalde de deksel weg. De kamer vulde zich met de geur van ons ouderlijk huis, die de ziekenhuislucht verdreef. Bij ons thuis rook het altijd naar komijn en paprikapoeder; ingrediënten die in elke maaltijd werden gestrooid. Zout en peper brengen het eten op smaak, maar komijn en paprikapoeder geven het kleur. Itri en ik pakten allebei een stoel en gingen aan het bed zitten. In de schotel lag de konijnenkop. Gemarineerd. Gebruind. Gestoofd. Itri en ik keken elkaar vragend aan.

‘Kijk eens wat de jongens hebben gemaakt, lief. En deze is voor jou,’ zei moeder tegen vader en schoof het kopje zijn kant op. ‘Laten we eten, smakelijk.’ Ik kauwde op een stukje pompoen en trok een reepje vlees los en hoorde vader zachtjes kreunen. Ik sprong op. ‘Ga zitten en eet,’ zei moeder. ‘Eet door, alsjeblieft, alsjeblieft.’

Asis Aynan (1980) studeerde filosofie en is de schrijver van Veldslag en andere herinneringen en Ik, Driss (Atlas). Hij is oprichter van de Berberbibliotheek.

Lezersactie! stuur en een mail naar Amazightimes en ontvang de kortingscode voor het concert van Khalid Izri bij Theater Zuidplein en maak gebruik van de €5 korting!

Katten zijn geen schapen

Said Elhaji

Het is begonnen bij de oude Egyptenaren, zo’n 4000 jaar geleden. Zij waren de eerste die de kat gingen domesticeren. Graanschuren moesten worden beschermd tegen de vraatzucht van muizenplagen, vandaar. Daarom werden katten gefokt om lief voor de mensen te zijn en moorddadig jegens muizen en ratten. Zie, de Egyptische Mau. Mishandeling van dit ‘heilige dier’ werd zwaar afgestraft. Een soldaat die met zijn strijdwagen een kat overreed, werd ter dood veroordeeld. En terecht.

Katten zijn sublieme wezens. Ongenaakbaar. Mysterieus. Bepaald geen schapen. Je maakt ze niks wijs. Ze willen niet dienen, maar hun eigen gang gaan.
Uit een nieuw Amerikaans onderzoek blijkt dat katten gevaarlijker zijn dan tot nu toe werd aangenomen. Een enkele kat vangt tussen de 70 en 200 prooien per jaar. Gezamenlijk zouden ze tussen de 8,3 miljard en 24,4 miljard vogels, ratten en muizen doden. Het zijn de nazi’s van het dierenrijk. Hun hele fysiek is erop gebouwd om te moorden. Elk jaar weer bezondigen zij zich ongezien aan een nieuwe holocaust. En sie haben es nicht, nimmer gewußt. De Amerikaanse Vogelbescherming stelt in een reactie op het genoemde onderzoek dat katten maar binnen moeten blijven omdat ze zo veel schade toebrengen.
Het verbaast me niks. In De meester en Margarita, de beroemde roman van Michail Boelgakov, verschijnt een Satansfiguur ten tonele die Woland heet. Samen met zijn gevolg pleegt hij moorden, sticht branden, ontvoert mensen. In dit gevolg vertoeft ook een reusachtige kat die kan praten en handelen als een mens.
Ik denk niet dat de kat onderdeel kan zijn van andermans duivelse entourage. Nee, ik denk dat de kat Satan zelve is. Satan is geen gevallen engel, maar een kat. En zijn naam is Momo.
Momo is mijn eigen zwartgrijze huiskat, die door zijn buitensporige grootte het voorkomen heeft van een tijger. Komt hij de woonkamer binnen, dan zwaait de deur open. Ja, dan komt er echt iemand binnen. Hij blijft even staan, kijkt rond, loopt naar de keuken om te zien of er eten in zijn bakje zit. Daarna zoekt hij rustig zijn favoriete (warme) plekje op: de verwarming. Zo rond vieren in de middag wil hij strontvervelend zijn, om niet te zeggen diabolisch. Want dan wil hij eten. En dan krabt hij aan alles om me erop te wijzen dat zijn geduld op is.
Maar denk niet dat hij geen geduld kan betrachten. Dat kan hij wél. Lang en uiterst geconcentreerd kan hij loeren. Naar een vogel op de balustrade bijvoorbeeld, wachtend op het juiste moment om tot de aanval over te gaan. Vliegt de vogel weg, dan baalt hij niet. Nooit.
Van kroelen moet hij evenwel niets hebben. Hij vraagt nooit om aandacht. Pas laat in de avond wil hij aan mijn voeten komen zitten, duldt hij zowaar een aai over zijn bol en kijkt hij me aan alsof híj me een dienst bewijst.
Zeg je katten, dan zeg je individualisten. Ze hebben het individualisme verabsoluteerd. Dat moet je respecteren, anders verlaten ze je.

Marokko na ongelooflijke ontknoping uitgeschakeld, Kaapverdië door

De eerste twee kwartfinalisten van de Afrika Cup 2013 zijn Zuid-Afrika en Kaapverdië. Marokko had lange tijd genoeg aan een gelijkspel tegen het gastland voor kwalificatie, maar Kaapverdië zorgde in de blessuretijd voor de ultieme verrassing door Angola te verslaan.

Zuid-Afrika – Marokko 2-2
Bij de Marokkanen besloot bondscoach Rachid Taoussi flink de bezem door zijn basiself te halen. Dat ging ten koste van alle ‘Nederlanders’ die bij de ploeg spelen. Mounir El Hamdaoui, Nordin Amrabat, Karim El Ahmadi en Oussama Assaidi speelden de afgelopen twee duels nog in de basis, maar moesten nu vanaf de bank toekijken.

Met een volledig nieuwe aanval ging het Marokko een stuk beter af in de beginfase. Al na tien minuten openden de Marokkanen de score via Issah El Adoua. De ploeg van bondscoach Taoussi hield vervolgens lang stand, maar moest twintig minuten voor tijd alsnog een tegentreffer incasseren.

Gastland Zuid-Afrika, zonder Ajacied Thulani Serero, kwam op gelijke hoogte dankzij May Mahlangu. Tien minuten voor tijd hielp Marokko zich echter weer aan de voorsprong toen invaller Abdelilah Hafidi de bal in de zestien kon aannemen en doelman Itumeleng Khune passeerde. Zuid-Afrika schoot vlak voor tijd vervolgens nog de 2-2 tegen de touwen, waardoor zij zich sowieso kwalificeerden.

Door de knotsgekke slotfase bij Kaapverdië tegen Angola moest Marokko alsnog toezien hoe de uitschakeling een feit werd.

Kaapverdië – Angola 2-1
De Kaapverdianen, met Spartaan Toni Varela in de basis en Guy Ramos (RKC Waalwijk) en Josimar Lima (FC Dordrecht) op de bank, hadden met twee gelijke spelen nog altijd een prima uitzicht op de volgende ronde. Toen Angola echter na ruim een half uur op 0-1 kwam na een eigen doelpunt van aanvoerder Nando, werd het een moeilijk verhaal. Zeker gezien de ontwikkelingen bij Zuid-Afrika-Marokko.

In de slotfase wist Afrika Cup-debutant Kaapverdië echter het vooraf onmogelijke te presteren door de wedstrijd te kantelen. Tien minuten voor tijd kopte Fernando Varela de gelijkmaker tegen de touwen, maar ook met die stand zou kwalificatie niet mogelijk zijn. Invaller Héldon Ramos werd de held van het land door in de blessuretijd de 2-1 te maken na een blunder van Angola-doelman Lamá.

Kaapverdië debuteert dit jaar op het Afrika Cup-toernooi. De Zuidafrikanen wonnen in 1996 bij hun debuut op het eindtoernooi de Afrika Cup.

Marokko heeft winst nodig tegen Zuid-Afrika

Africa Cup of Nations 2013. Marokko – Zuid-Afrika en Kaapverdië – Angola. Zondag begint de derde speelronde van de Africa Cup. De tweede speelronde was absoluut levendiger dan de eerste ronde, waarin het gelijke spelen regende. Dat belooft dus wat voor de laatste ronde in de groepsfase.

De tweede speelronde werd afgesloten met Ivoorkust tegen Tunesië. De in oranje shirts spelende Ivorianen zetten hun kandidatuur voor de titel kracht bij door te winnen met 3-0. Een aanlokkelijke uitslag, maar geen flitsend duel. Daarvoor konden de Tunesische voetballers niet genoeg druk uitoefenen. Coach Lamouchi van Ivoorkust had ook wel verwacht dat het geen pittige partij zou worden, want hij liet sterspelers Didier Drogba en Kolo Toure langs de kant. 

Ivoorkust speelde afwachtend maar wist toch nog 55% balbezit op te bouwen. Van de zes schoten op doel vlogen die van Gervinho, Toure en Ya Konan er in. De laatste twee goals vielen pas na de 87e minuut. Tunesië moet winnen van Togo om nog door te kunnen gaan.

Togo won met 2-0 van Algerije en ondanks die ruime marge was het kantje boord. Emmanuel Adebayor en Dove Wome scoorden namens Togo, terwijl vele Algerijnen verzuimden om de bal in het net te krijgen. Terwijl er wel meer kansen werden geschept door de Noord-Afrikanen. Dat was ook in de eerste speelronde tegen Tunesië het geval, zodat de tijd rijp lijkt om nieuwe spitsen op te leiden of op te sporen.

Een komisch moment vond plaats in de tweede helft, toen Guedioura met zijn rechterbeen verstrikt raakte in het doel van Togo. De doelpaal bezweek. Het duurde een kwartier voordat de blesurrebehandeling van de paal was voltooid.

Marokko – Zuid Afrika (18.00 uur)

De wedstrijden beginnen nu niet meer om 18.00 uur, maar om afspraken te voorkomen worden de duels in de derde speelronde per groep gelijktijdig gespeeld. 

Marokko kan nog groepswinnaar worden en zal dan van het gastland moeten winnen. Bondscoach Rachid Taoussi heeft via media verkondigd dat hij helemaal niet happy is met het spel van zijn mannen. Vooral Karim el Ahmadi moest het ontgelden. Ook Amrabat en Assaidi, beide met een verleden in de eredivisie, overtuigen nog niet. Het lijkt er op dat de laatste twee niet in de basis starten.

Kaapverdië – Angola (18.00 uur)

Beide landen hebben het niet meer in eigen hand of ze door mogen naar de kwartfinale. De Kaapverdische prestaties zijn voor een debutant helemaal niet slecht. Na twee gelijke spelen en de eerste goal op de Africa Cup ooit, kan het land, wat er zondag ook gebeurt, voortbouwen op deze editie. Angola zal een redelijk ruime winst nodig hebben om te overleven. De kans dat het gebeurt is klein, want er werd tot nu toe nog niet eenmaal gescoord.