door Redactie | mei 20, 2012 |
Bewijst Tofik Dibi nu al dat hij ongeschikt is als politiek leider van GroenLinks, zoals Han van der Horst stelt? Ik durf het te betwijfelen. Sterker nog, dit is een droomstart voor iedere uitdager. Dibi heeft alles mee behalve het bestuur, dat zichzelf wegzet als archaïsch en ondemocratisch door zich overduidelijk te scharen achter een vrouw die inhoudelijk prima functioneert maar emotioneel even veel ‘doet’ als een stekkerdoos. Het was niet alleen maar venijnig bedoeld toen Geert Wilders zei dat de stekker er bij haar nog nooit in gezeten heeft.
Wat is het dan dat Dibi geschikt maakt?
Dibi is gretig. Je hoeft hem maar te horen spreken om te vermoeden dat er een vulkaan in hem schuilgaat. Zo’n vulkaan die nooit helemaal tot uitbarsting komt en dat is maar goed ook. Dibi is een vulkaan die borrelt van een politieke lust van heb ik jou daar. De mantel der liefde die iedere traditionele politicus draagt om de gestaalde kaders van de partij te kunnen bezweren, zoals Van der Horst ons voorhoudt, staat bij Dibi van begin af aan in de fik.
Dibi bezweert niet, maar bestormt. Hij is een en al branie.
Dibi is jong, 31 jaar om precies te zijn. Maar hij weet als geen ander wat het is om te vechten, ondanks verlies en tegenslag. We weten dat zijn ouders scheidden toen hij zeven jaar was. We weten dat hij op tienjarige leeftijd zijn vader verloor. Maar ondanks dat, zit hij nooit bij de pakken neer. Hij zet zich in voor bewonersorganisaties, politieke verenigingen en demonstraties. Toen hij in 2006 Kamerlid werd namens GroenLinks, deed hij dat naar eigen zeggen ‘voor de grap’. Het was nota bene de kandidatencommissie die een belofte in hem zag. Dat verbaasde Dibi destijds wel. Maar het bestuur heeft gelijk gehad en dat zal niemand ontkennen. Niet voor niets werd hij twee jaar later, in 2008, verkozen tot ‘politiek talent van het jaar’. Wat Dibi nu verbaast is dat het partijbestuur er alles aan doet om hem te diskwalificeren. Ze verwijt hem een gebrek aan strategisch inzicht, een gevoel voor timing. Maar Dibi bewijst met zijn kandidatuur voor het leiderschap juist hoezeer bij de pinken hij is, zowel strategisch als qua timing. Terwijl de hele partij zelfgenoegzaam wegzweeft in een al te voorbarig triomfalisme door het zogenaamde Lenteakkoord, slaat Dibi toe − BAM! Better to reign in hell, than serve in heaven, zeg maar. En niemand die het ziet aankomen. Dibi beheerst “the element of surprise” als geen ander.
Als dat geen timing is, dan is niets het.
Tofik Dibi is origineel. Toen Geert Wilders vier jaar geleden als een barbaar stond tekeer te gaan aan de poorten van onze gekoesterde rechtsorde, spoedde hij zich naar de barricaden om tegen het schadelijke sujet te betogen. Dat deed hij door posters te verspreiden met daarop de foto van Wilders en de tekst “Extremist – brengt u en de samenleving ernstige schade toe”. Zeg niet dat Dibi ongelijk had. Gek genoeg werd niet Wilders gearresteerd, maar Dibi zelf. Het dwong Wilders tot het uiterst redelijke commentaar dat de politie Dibi nooit had mogen oppakken en onmiddellijk had moeten vrijlaten.
Ik voorspel dat Dibi de nieuwe leider wordt. De leden zullen hem prefereren. Niet vanwege de inhoud, maar vanwege de bezieling. Inhoud laten we over aan de topambtenaren en de politieke adviseurs, daar zijn er veel van, maar bezieling is schaars. Niet voor niets is Dibi het protegé van Femke Halsema, de grande dame, en een van de meest inspirerende politici die Nederland ooit heeft voortgebracht. Die lijn zal Dibi op zijn eigen vulkanische wijze doorzetten, ik mag doodvallen als het niet waar is. De in de beeldvorming uitgebluste Jolande Sap is het protegé van een stelletje apparatsjiks. Zoals partijvoorzitter Weening. Die spreekt van ‘een dilemma’ en ’een ongeschikte kandidaat’. Ze doet alsof Dibi een gevaarlijk element is dat de partij lamlegt. Als ik cynisch was, zou ik denken dat dit een tactiek van het partijbestuur is om koste wat kost Dibi te diskwalificeren ten faveure van die ene door haar geliefde kandidaat Sap. Er is geen dilemma, slechts het onvermogen van een bestuur om op een referendum te vertrouwen. Dat maakt weinig sympathiek. Ik denk dat Jolande Sap wel kan inpakken, met zo’n bestuur achter je. Jammer voor haar, maar eigenlijk valt er niks meer te kiezen.
AmazighTimes: Said Elhaji.
door Redactie | mei 9, 2012 |
Door: Said El Haji
De trein zat tjokvol, maar de zitplaats naast mij was onbezet. Ik vond het best zo. Tot ineens een dame naast me kwam zitten. Ik keek haar van opzij aan en oordeelde dat ze Marokkaanse was. Waarop een jongetje, niet ouder dan tien, haar boos weg riep. Het was haar broertje. Als een cipier die ziet dat de ene gevangene iets te dicht bij de andere is gaan zitten, en duidelijk wil maken daar niet van gediend te zijn, wees hij zijn grote zus erop dat ze in overtreding was. Ze stond gedwee op en ging maar in het gangpad staan. Vervolgens nam hij zelf haar plaats naast mij in. Hij bedoelde het niet onbeschoft, integendeel. Het was zijn plicht. Marokkaanse jongetjes worden opgevoed met het idee dat het bij ‘onze Marokkaanse cultuur’ hoort. Sommigen gaan zelfs verder, door te stellen dat het van de islam moet. Daarmee doen ze noch de Marokkaanse cultuur noch de islam enig recht aan.
Tienermeisjesachtige mededogen
Feit is dat het een typisch kenmerk is van een zogenaamde masculiene cultuur. Een term die volgens mij van de Nederlandse organisatiepsycholoog Geert Hofstede afkomstig is, maar zeker weten doe ik het niet. Hoe dan ook, een masculiene cultuur is een cultuur waarin het, bijvoorbeeld, traditioneel aan de mannen is om de eer van de groep (familie, gemeenschap) naar buiten toe te beschermen. Kortom, een machocultuur. Deze machocultuur is onderdeel van de straatcultuur in de steden. Japan wordt gezien als de meest masculiene cultuur en Zweden de meest feminiene van de wereld; maar ook Nederland wordt als een zeer feminiene maatschappij bestempeld.
Enkele jaren terug, 2008, publiceerde schrijver Michael van Eekeren een fel stuk in dagblad Trouw, getiteld ‘Ondraaglijke feminisering’, waarin hij betoogt dat de Partij voor de Dieren een bewijs is dat Nederland door en door vervrouwelijkt is. “De combinatie van het tienermeisjesachtige mededogen met zielige diertjes en het gedogen daarvan in de Tweede Kamer toont aan dat de feminisering een nieuwe variant heeft gekregen. Vrouwelijke kernwaarden als ‘gevoel’, ‘mededogen’ en ‘idealisme’ zijn dominant geworden in de politiek-maatschappelijke werkelijkheid.” Volgens Van Eekeren was het probleem niet dat Nederland een oriëntatie op gelijkheid en mededogen kent, maar dat die oriëntatie in de buitenwereld dominant is geworden.
Machismo
Wat die zwangere Amsterdamse vrouw van Marokkaanse afkomst en haar gekleurde vriend is overkomen, is evenwel het gevolg van het andere uiterste, namelijk machismo. Vijf jongemannen van de straat die niet voor elkaar willen onderdoen, en daardoor een babymoord op hun geweten hebben. Ik durf er veel om te verwedden dat het gebeurde niet gebeurd zou zijn als het groepje van vijf uit niet alleen macho’s had bestaan. Of als het om een Marokkaanse man met een zwarte vriendin was gegaan.
Het heeft dus weinig met racisme, zoals Bart Schut in zijn opinieartikel ‘Hebben Marokkanen een racismeprobleem?’ oppert, te maken. Schut schrijft: “Toen ik Lamia vroeg of zij vaker last had van racistische scheldpartijen, haalde zij haar schouders op en antwoordde: ‘Elke dag’.” Ik wil geloven dat Lamia dagelijks gediscrimineerd wordt om haar kleur, sekse en ongesluierde hoofd, maar het lijkt me al te voorbarig om basis daarvan een maatschappelijk racismeprobleem te kunnen signaleren. Waarmee ik niet wil zeggen dat Marokkanen geen racisme kennen. Ik zeg alleen dat we dat niet kunnen beoordelen. In het nog altijd autoritaire ontwikkelingsland Marokko wordt de samenleving namelijk niet voortdurend onderworpen aan allerlei peilingen, enquêtes en onderzoeken in opdracht van en uitgevoerd door belangwekkende instituten, zodat we redelijk zicht hebben op maatschappelijke ontwikkelingen zoals het al dan niet toenemen van discriminatie, school- en ziekteverzuim, alcohol- en drugsgebruik, vroeggeboortes, enzovoort. Die openheid heeft Marokko niet. Je bent dus aangewezen op de ervaringen van enkele mensen, zoals Bart Schut is aangewezen op de ervaring van zijn zwarte Marokkaanse vriendin en nog wat andere mensen met een mening.
‘Blonde Hollandse kankerhoer’
Maar door de verontwaardiging die Hassnae Bouazza bij Pauw & Witteman (8 mei jl.) aan den dag legde over het stuk van Schut, zou je haast de aanleiding van alle ophef vergeten. Persoonlijk snapte ik weinig van haar aanval op de journalist. Woedend omdat hij de vraag stelt of Marokkanen een racismeprobleem hebben? Ze had er beter aan gedaan haar woede te richten op het echte probleem in deze kwestie.
Een paar weken geleden publiceerde ondernemer Erik de Vlieger een ingezonden brief in de Volkskrant waarin hij zich beklaagt over de overlast van Marokkaanse uitgaansjeugd. “Als mijn blonde dochter (24) op een feest niet wil dansen met een jongen die toevallig Marokkaans is, weet ze zeker dat ze voor ‘blonde Hollandse kankerhoer’ wordt uitgescholden. Het afgelopen weekeinde is een vriendje dat in zijn eentje wegging na een bezoek aan mijn jongste dochter (18) in elkaar getrapt door Marokkanen, met een gebroken hand als gevolg. Vijf tegen één!” Gesteld dat het niet steeds hetzelfde groepje van vijf is, wil ik dit soort jongens wel een probleem noemen. Niet omdat ze botsen met het vrouwelijke Nederland, maar gewoon omdat macho’s, vooral wanneer ze in groepen gaan, ten strijde trekken tegen elke vorm van eer- en gezichtsverlies, zoals de afwijzing van een meisje. Want wie heeft geleerd vrouwen te controleren, tolereert niet graag dat ze hem tegenspreken of anderszins op z’n nummer zetten. Dat wringt met zijn ingebeelde macht en dominantie. Daarbij schuwen ze geen geweld, maar verheerlijken het juist.
Said El Haji (1976) studeerde Nederlandse taal- en letterkunde in Leiden en won in 2000 de El Hizjra-aanmoedigingsprijs voor zijn verhaal ‘De kleine Hamid’. Dit verhaal werkte hij uit tot zijn debuutroman De dagen van Sjaitan (2000), dat een ware hausse aan media-aandacht beleefde en die inmiddels ook in het Frans is verschenen. Van zijn hand verscheen verder nog Goddelijke duivel (2006) en De aankondiging (2011).
Bron
door Redactie | mei 3, 2012 |
Door: Farid Oulad Lahcen
LANGE ARM RABAT Marokkaanse Nederlanders kopen graag een tweede huis in Marokko. Vooral de corrupte Marokkaanse overheid en vast-goedmaffia profiteren hiervan.
Hier komt het grote geld uit Marokko bij elkaar en treft de groeiende Marokkaans-Nederlandse happy few elkaar: drie dagen lang verzamelden zich in de RAI in Amsterdam de Marokkaanse vastgoedondernemers om de Marokkaans-Nederlandse consument te verleiden een appartement in Marokko te kopen.
Het initiatief van dit evenement komt van Smap Group, een internationaal opererende organisatie, aangevoerd door vastgoedgiganten als Addoha en Al Omrane, die directe banden hebben met de Marokkaanse koning. Addoha is een onderneming van Anas Sefrioui. Met een bezit van 1,6 miljard dollar mag hij zich een van de rijkste mensen van Afrika noemen; nummer 13 om precies te zijn (therichest.org).
Het was een drukbezochte eerste beurs in Nederland. Met gerichte reclamespotjes via de Marokkaanse zender 2M, gratis optredens van bekende artiesten zoals Najib Amhali, geïmporteerde zangers uit Marokko en met promofilmpjes van de Kamerleden Ahmed Marcouch en Tofik Dibi (die zich voor het karretje laten spannen) is het gelukt om duizenden Marokkaanse Nederlanders over te halen hun sociale huurwoningen te verlaten en naar de Amsterdamse RAI te snellen.
In de RAI waren standjes van tientallen projectontwikkelaars en vastgoedondernemers. Uit diverse steden streken zij neer om gewone appartementen te verkopen, maar ook huizen die niet voor minder dan 1 miljoen euro van de hand gaan. Het Marokkaanse notariaat en de grote banken reisden mee om eventuele deals in goede banen te leiden. De vastgoedbeurs doet voor het eerst Nederland aan.
België, Frankrijk en enkele Zuid-Europese landen hebben hun eerste editie al achter de rug. Daar was de beurs eveneens een succes.
Waar komt deze Marokkaanse overzeese drift vandaan? Is dit vanwege de aantrekkingskracht van de oplevende Marokkaanse economie en daarbij de booming vastgoedwereld een reden die vaker genoemd wordt. Of spelen ook andere factoren een rol?
In een interview met Radio 1 zegt Abdelbasset Zaghdoud, een Marokkaanse Nederlander die in de vastgoedsector zit, dat de overweldigende aandacht van Marokkaanse Nederlanders om een tweede huisje in Marokko te kopen, verklaard kan worden door het negatieve maatschappelijke klimaat in Nederland. Het huidige klimaat zou vele Marokkaanse Nederlanders vervreemden. Daarnaast ziet hij de economische ontwikkeling in Marokko als een stuwende kracht om te gaan investeren.
Diaspora
Deze meer voor de hand liggende factoren leunen op een onderliggend mechanisme. In de eerste plaats zijn Marokkanen in het buitenland al jaren het doelwit van Marokkaans politiek beleid. Via toerisme, ondernemerschap en privileges probeert de Marokkaanse overheid de groeiende kapitaalkrachtige gemeenschap in de diaspora aan zich te binden.
Marokko heeft hier baat bij om twee redenen. Binding garandeert structurele inkomsten en zorgt voor continuïteit hiervan. En ten tweede, en niet geheel onbelangrijk, door mensen te vriend te houden, ontdoet de Marokkaanse overheid zich van potentiële critici en opposanten.
Toen ik afgelopen zaterdag in de RAI rondliep, verbaasde het me dan ook niet dat sommige Nederlandse organisaties die zich nooit kritisch uitlaten over de schendingen van mensenrechten in Marokko daar ook aanwezig waren. Onder deze sympathisanten bevinden zich Nederlandse organisaties die gefinancierd worden met overheidssubsidie. In dit rijtje zijn Jongerenorganisatie Argan en het Marokkofonds te vinden.
Naast de aanwezigheid van de Marokkaanse overheid op de beurs in Amsterdam, faciliteert die ook de groei van het kapitaal van deze vastgoedbedrijven. Bij de wijze waarop dat gaat, kun je vraagtekens plaatsen. Een tactiek die men hanteert, is bijvoorbeeld het onder fysieke of psychische druk zetten van kleine boeren om hun grond te verkopen. Daarnaast moeten grote stukken natuur plaatsmaken voor betonwijken. Onafhankelijke ngo’s en kritische journalisten hebben hierover vaker gerapporteerd. Een beproefde methode waarvan bevriende en invloedrijke vastgoedgiganten profiteren, is de volgende: aanbestedingen laten ‘winnen’ in ruil voor geld en invloed. Lokale overheden en door koning Mohammed VI benoemde gouverneurs spelen hierbij een actieve rol. Een aantal schandalen is recentelijk nog aan het licht gekomen.
Vervreemding
Het negatieve maatschappelijk klimaat van de laatste jaren in Nederland voedt het sentiment van vervreemding bij de tweede generatie Marokkaanse Nederlanders, waaronder een geslaagde middenklasse. Hierdoor zijn ze meer geneigd over de grens te kijken en daarmee Marokko te idealiseren en zich minder kritisch op te stellen ten opzichte van de ontwikkelingen in Marokko. Voor hen is zo’n beurs bij uitstek de plek om zich alvast te oriënteren.
Hun ouders, de eerste generatie, deden het heel anders. Zij hadden te maken met een andere tijd (de vastgoedwereld bestond haast niet) en hadden ook een andere reden. Hun motivatie haalden ze uit de wens uiteindelijk voorgoed terug te keren en met eigen ogen een huis te zien verrijzen. Bij de tweede generatie, die hier geboren is, is de binding voor een groot deel geconstrueerd en wordt deze kunstmatig in leven gehouden via een doelgerichte strategie van de Marokkaanse overheid.
Parallel hieraan draagt de Nederlandse overheid bij. De Nederlandse politiek lijkt de laatste jaren alleen oog te hebben voor Marokkaanse Nederlanders in negatieve zin. Het discours omtrent de integratie en de plek van de eigen cultuur en religie mag hierbij niet worden vergeten.
De wisselwerking van beide processen werkt de lange arm van Rabat in de hand. Uiteindelijk levert dit twee winnaars op: de corrupte Marokkaanse overheid en de vastgoedmaffia. De gewone burger en de natuur in Marokko moeten helaas het onderspit delven.
Ik roep Marokkaanse Nederlanders dan ook op criminele vastgoedbedrijven te boycotten en via een eerlijke weg te investeren in een tweede thuis.
FARID AOULED LAHCEN is voorzitter van Stem Marokkaanse Democraten Nederland.
Deze brief is gepubliceerd in de Volkskrant van 2 mei 2012
door Redactie | apr 22, 2012 |
Kamal (36) werd geboren in Marokko en groeide op in Nederland. Hij had voornamelijk Hollandse vriendinnen.
“Mijn Hollandse exen waren vaak onwetend en argwanend over mijn Marokkaanse achtergrond. Bang dat ik anders zou blijken dan ik me voordoe. Die angst kwam hoofdzakelijk uit de familie, maar gaf toch extra druk. In een gemengde relatie moet ik altijd dingen uitleggen over mijn achtergrond. Ik heb daar nu even geen zin meer in.” Kamal: ”Laatst heb ik het voor het eerst gedaan met een Marokkaanse. Ik dacht dat Marokkaanse vrouwen niet lekker konden vrijen vanwege de geslotenheid rondom seks. Maar zij heeft mijn mening geheel bijgesteld! Het was niet anders dan met de Hollandse dames.”
“Mijn ouders zien mij het liefst met een traditionele, Berberse vrouw trouwen. Zelf wil ik iemand die past in mijn vrije manier van leven. Ik zou ook liever samenwonen. Helaas is dat voor veel moslims onbespreekbaar.”
“Ik ben er op tegen dat meisjes als maagd het huwelijk ingaan. Ook op seksueel gebied moet je zoeken naar een geschikte partner. Vrijblijvend ontdekken wat je prettig vindt, helpt in die zoektocht. Dat geldt voor mannen én vrouwen.”
“In het begin, toen ik nog onervaren was, dacht ik dat het alleen ging om penetratie. Ik was soms al na een paar minuten klaar… Die snelle zaadlozingen vond ik erg vervelend. Ik probeer er nu altijd voor te zorgen dat mijn partner eerder klaarkomt dan ik. Echt samen en uitgebreid genieten kan ik vooral met vrouwen die ik langer ken.”
“Thuis werd het onderwerp altijd vermeden. Zelfs een zoen op tv werd onmiddellijk weggezapt. Mijn ouders hebben het zelf niet meegekregen en weten dus ook niet hoe ze het aan hun kinderen moeten doorgeven. Ik ben mijn eigen weg gegaan, net als twee van mijn zussen. De anderen in het gezin zijn traditioneel Berbermarokkaans.”
“Mijn favoriete standje? Zij boven en op z’n hondjes!”
door Redactie | apr 18, 2012 |
Lange tijd heeft het verbod op godslastering in Nederland in de juridische wachtkamer gestaan. Omdat in de meeste Westerse landen nog nauwelijks tegen wordt opgetreden, is de gedachte ontstaan dat het wel geschrapt zou worden. Maar eergisteren vernamen we van D66-er Boris van der Ham, die het van de VVD vernomen had, dat het verbod op godslastering niet uit het wetboek wordt geschrapt. Met dank aan de SGP.
Nog een paar jaar geleden leek Nederland een van die weinige landen te gaan worden waar de vrijheid van meningsuiting een absolute status zou krijgen. De liberalen richtten speciaal daarvoor een zaaltje in.Columnisten en cartoonisten moesten vooral blijven melden wat ze te melden hadden, en op de wijze die ze daarvoor nodig vonden. In 2009 werd door niemand minder dan toenmalig VVD-leider Rutte zelfs de suggestie gedaan om ook Holocaustontkenning toe te staan. Ach, waar een overmoedig land groot in kan zijn: proefballonnen blazen.
Ik ben blij en verheugd dat de SGP het gekoesterde verbod op de godslastering heeft weten te behouden. Voor hoelang is maar de vraag, maar ik hoop voor zolang als nodig is. En daar heb ik twee goede redenen voor. De eerste reden is van principiële aard en vloeit voort uit het besef dat alle mensen voor de wet gelijk zijn. Je kunt niet de kwetsbaarheid van de ene groep boven die van de andere plaatsen. Meten met twee maten, weet u wel? Ik bedoel dat we het loochenen van de Holocaust niet anders moeten wegen dan het loochenen van God. Sommigen zullen zeggen dat het appels met peren vergelijken is. Dat de loochening van een gruwelijk historisch feit niet te vergelijken is met de ontkenning van God, wiens bestaan niet bewezen kan worden. Toegegeven, tastbaar bewijs van het bestaan van God is nooit geleverd en dat is bij de Holocaust wel anders. Wie denkt dat Israël uit louter valsheid handelt, begrijpt niet wat een destructieve kracht de Holocaust nog altijd heeft op het collectieve bewustzijn van het joodse volk. Om maar te zwijgen van het schuldcomplex dat West-Europese landen eraan hebben overgehouden. Toch vind ik de scheiding tussen historie en religie een kunstmatige. Immers, voor iemand die God dagelijks ervaart in de wijze waarop de wereld zich aan hem voordoet, is deze niet minder reëel dan een oorlogstrauma dat is voor een slachtoffer of nabestaande. Bezien vanuit de ervaring legt de historische gevoeligheid van de ene groep mensen niet meer gewicht in de schaal dan de religieuze gevoeligheid van de andere groep mensen. Lang is dat wél gebeurd en dat zit ‘m hierin, dat religie en godsdienst in sommige kringen een gepasseerd station heten te zijn terwijl de Holocaust in andere kringen geen geschiedenis mág worden.
Maar dankzij de SGP komt er dus een einde aan deze dubbelhartigheid, temeer omdat religie en godsdienst geen gepasseerd station zijn.
Maar wie denkt dat het verbod op godslastering alleen maar de godvrezende dient, heeft het niet begrepen. Zo kom ik bij mijn tweede reden, die zijn bestaansrecht ontleent aan de wellevendheid.
Ik ben geneigd te denken dat de invloed van de SGP broodnodig is. Dit minderheidskabinet is niet alleen het opportunistische resultaat van een moeilijke verkiezingsuitslag, maar ook nog eens het noodzakelijke antwoord op de noden van een moreel verward land. Niet onverschilligheid ligt aan die verwarring ten grondslag, noch het mislukken van een of ander links verheffingsideaal. Wat eraan ten grondslag ligt is ons eigen slechte geweten, dat het gevolg is van een weinig verheffende koloniale geschiedenis en een even weinig verheffende bijdrage aan de Tweede Wereldoorlog. Tel daarbij op de veranderde samenstelling van de bevolking en dan is het nogal wiedes dat we de omgangsvormen lange tijd hebben laten gaan. Iemand die zo geteisterd wordt door demonen, heeft nu eenmaal minder oog voor de teloorgang van wellevendheid.Wie het verbod op godslastering een aantasting van de vrijheid vindt, heeft het ook niet begrepen. Het verbod op godslastering is geen beperking van vrijheid, maar een aansporing tot beschaafd gedrag. U wordt er persoonlijk niet slechter van. En eerlijk is eerlijk, u wordt er ook niet heel veel beter van. De enige winst die de samenleving er als geheel mee kan behalen is bewustwording. In Nederland leven namelijk niet alleen horken die het allemaal niks kan schelen, lomperiken die denken dat het een teken van vooruitgang is om nergens in te geloven. Er leven ook mensen die het wél wat kan schelen, omdat ze doordrongen zijn van het besef niet alleen op de wereld te zijn. Dat zijn geen fundamentalisten of figuren die niet zonder religieus juk kunnen leven. Het zijn de tedere zachtmoedige krachten onder ons, die weinig meer van de publieke ruimte vragen dan de erkenning van het feit dat ze er zijn.
Zelf ben ik overigens geen gelovige. Ondanks mijn Arabische naam en islamitische opvoeding ben ik Arabier noch moslim. Het doet mij ook geen pijn wanneer iemand in mijn aanwezigheid onbedwingbaar staat te vloeken als een touretter. Ik vind het alleen belachelijk om dat als normaal te beschouwen, of om het als een vrijheid te zien. Het is onbeschoft, punt. Is het niet onbeschoft om te pas en te onpas je piemel tevoorschijn te halen? Scheldkanonnades te spuien met ziektes erin alsof ze niet bestaan? Waarom zou het dan niet onbeschoft zijn om te pas en te onpas God te vervloeken? Dat het verbod godslastering behouden blijft, mag als een signaal gelden. Het signaal is gericht aan een Nederland dat heeft bewezen niet met zijn vrijheid te kunnen omgaan. Het is een antwoord op de hufterigheid in onze samenleving. Een beschaafd land zou zo’n verbod niet nodig hebben.
Weg met het onverantwoordelijke gebruik van krachtterminologie. Opdat we de weg terugvinden naar tederheid en een respectvolle samenleving. Pas dan kunnen we met recht ageren tegen de betutteling van een partij of kabinet.
AmazighTimes: Said Elhadji
door Redactie | apr 15, 2012 |
Amazightimes: Said El Hadji
De Dichter des Vaderlands kan tekeergaan wat hij wil, maar als het waar is wat hij schrijft, dat we ‘ziek, nihilistisch, narcistisch en gestoord’ zijn en onze politieke leiders slechts excelleren in een decadent isolationisme (zie NRC-Handelsblad d.d. 26 maart jl.), dan heeft het geen enkele zin om tekeer te gaan. Dat doe je niet bij een bejaarde die op sterven ligt.
Feit is dat moreel verval, zoals alle verval, eenrichtingsverkeer is. Een doodlopende weg bovendien. Gelooft u mij niet? U vindt het pessimistisch? Ach, dat begrijp ik heus wel. Maar blijft u alstublieft lezen en u zult begrijpen.
Je kunt het verval hoogstens vertragen, de ondergang uitstellen. Dat weet Ramsey Nasr ook. Wat hij bekritiseert is dan ook niet zozeer het verval op zich, maar de wijze waarop we haar beklagen. ‘Normloosheid spreidt zich uit als een olievlek over onze politiek, onze media en heel onze cultuur. Moet kunnen. Maar dan moeten we ook ophouden met het geëmmer over onze nationale cultuur. Het is het een óf het ander.’ Toch lijkt hij erin te geloven het tij te keren. Waarom anders zo moralistisch ten strijde trekken?
De schrijver Joseph Roth noemt in zijn roman De kapucijner crypte, die gaat over het verval van het Oostenrijks-Hongaarse rijk vlak voor de Eerste Wereldoorlog, nog enkele andere eigenschappen. Hij heeft het over de ‘sceptische lichtzinnigheid’, de ‘melancholieke waanwijsheid’, de ‘zondige nonchalance’ en de ‘hoogmoedige verlorenheid’ van de aristocratische en artistieke kringen. Allemaal tekenen van decadentie en de naderende ondergang. Een beeld dat veelvuldig in het boek terugkomt: ‘Boven de glazen waar we overmoedig uit dronken, kruiste de onzichtbare dood reeds zijn knokige handen.’ Het is de onafwendbaarheid van de ondergang.
Zelfs zij die de tirade van Nasr verwelkomen, er waarheid in zien, hebben niet in de gaten dat ze hun eigen ondergang verwelkomen. Klinkt paradoxaal. Dat is het ook. Het is de hoop die ons paradoxale wezens maakt.
Spreken we vandaag de dag over decadentie en verval, dan kunnen we niet om Griekenland heen. Deze bakermat van beschaving en democratie is al heel lang niet meer wat het moet zijn. Geloof het of niet, maar het is dankzij de Noord-Afrikaanse geleerde Ibn Chaldoen (1332-1406) dat ik de crisis van dit land, die symptomatisch is voor die van de gehele Westerse wereld, begrijp. Wie zijn standaardwerk al-Muqaddima leest, kan niet anders concluderen dan dat de wereld anno nu, hoewel gejaagder en ondoorzichtiger, in wezen niet zo veranderd is. Het is daarom dat Ibn Chaldoen, de Erasmus van de Maghreb, er beter in slaagt de crisis uit te leggen dan welke hedendaagse stereconoom ook.
Het heeft alles te maken met groepssolidariteit. Het kernbegrip in ’s mans analyse van opkomst en ondergang van staten. Zonder groepssolidariteit geen politieke macht. ‘De drang om te overheersen en verzet te bieden kan alleen ontstaan op basis van groepssolidariteit, waarin trots en de bereidheid om voor elkaar op te komen of zich voor elkaar op te offeren een essentiële rol spelen,’ schrijft hij.
Ergens schrijft Ibn Chaldoen ook dat een staat soms te weinig inkomsten heeft. Dat komt ‘doordat de leden van de dynastie rijk zijn geworden, hogere eisen stellen en meer geld uitgeven, waardoor de belastingopbrengsten te laag zijn om aan hun behoeften te voldoen en hun kosten te dekken.’ Wat doen machthebbers dan? ‘Soms heffen ze belasting op handelstransacties en markten (…), en soms zetten ze hun functionarissen en belastinginners onder druk en halen ze hun het vel over de oren. Dit laatste gebeurt echter alleen als ze hebben ontdekt dat er veel belastinggelden zijn verdwenen die niet in de boeken zijn terug te vinden.’ Aldus de Middeleeuwer, die natuurlijk nooit van onze gepimpte bancaire systemen met warrants, quants en credit default swaps heeft gehoord en zich mede daarom de nodige eenvoud en eerlijkheid kan permitteren. Hij hoeft geen kritische maatschappij te misleiden met duizelingwekkende terminologie. Met kennis die afleidt van waar het om gaat. En waar het om gaat is gesjoemel. Waar het om gaat is verval. De naderende ondergang.
Via groepssolidariteit wordt nog meer duidelijk. Het begrip legt namelijk een dynamiek bloot die door een woord als ‘democratie’ ongezien blijft. Bijvoorbeeld waarom toenmalige premier Papandreou, toen hij werd geconfronteerd met de strenge maatregelen die moesten worden getroffen om het land uit de crisis te trekken, zijn volk aanvankelijk een referendum wilde voorleggen. Dat deed hij om de broodnodige groepssolidariteit af te dwingen. Daarom hij hield hij zijn landgenoten het meest democratische instrument boven het hoofd, ter suggestie dat er iets te kiezen viel. Papandreou kon zich geen voorbeeldiger politiek leider betonen. Deed hij dat niet, dan zou het volk de crisismaatregelen als louter vernederend kunnen zien. En dan zou het verval niet alleen voor de Grieken, maar voor ons allen in een versnelling zijn gekomen. Een versnelling die geen ruimte laat voor de illusie dat het verval is afgewend. Europa is werkelijk langs een afgrond gegaan.
Wisten de andere EU-lidstaten, die het referendumvoorstel unaniem afbrandden, dan niet dat Papandreou een totale anarchie bezwoer? Vast, maar zij hadden rekening te houden met hun eigen groepssolidariteit, zonder welke zij natuurlijk ook niks konden beginnen.
Kraakheldere analyse, vindt u ook niet? Met dank aan Ibn Chaldoen.
Maar er zit dus ook iets verontrustends in. ‘Aftakeling is een chronische aandoening die niet kan worden behandeld of genezen, omdat er sprake is van een natuurlijk proces, en in natuurlijke processen kan men niet ingrijpen.’ Hij verklaart dit door erop te wijzen dat het voor mensen die een zekere mate van invloed en welvaart gewend zijn onmogelijk is om genoegen te nemen met minder. Ook van de groep wordt geen heil meer verwacht. Wanneer een staat eenmaal door aftakeling is aangetast, is de groepssolidariteit vaak al verdwenen. Niet voor niets grijpen conservatieve krachten dan terug op nationalistische neigingen als culturele eigenheid en een gemythologiseerde vaderlandse geschiedenis. Kijk naar de 19e-eeuwse Hollanders die de eigen Jan Salie-geest bekritiseerden, uit verlangen naar de Gouden Eeuw. De 21e-eeuwse Jihadisten die naar de vestiging van een nieuw kalifaat inclusief shari’a dorsten, in de hoop de glorietijd van de islam te doen herleven. De PVV die de teloorgang van de welvaartstaat verhaalt op de mythe van een opgedrongen multiculturele samenleving.
Is de groepssolidariteit in Nederland verdwenen? Niet als we kijken naar de Oranjegekte die losbarst tijdens grootschalige voetbaltoernooien. Niet als we delen in het leed en geluk van de leden van het Koningshuis. Kortom, zaken die ons gezamenlijk verbinden omdat ze boven de partijen uitgaan. Dat is broodnodig. In Nederland willen namelijk ook dat er iets te kiezen valt als we naar de stembus gaan. Wij Nederlanders zijn trots op onze keuzerijkdom, de vele politieke partijen waarop we kunnen kiezen. In de meeste landen kunnen mensen slechts kiezen op twee partijen. Echter, in het besef dat de onderlinge groepssolidariteit tussen de verschillende kiezers verbrokkelt wanneer partijen te veel van elkaar afdrijven, blijft de keuzerijkdom oppervlakkig. De enige polarisatie die we kennen is nog altijd die tussen partijen ter linker- en rechterzijde van het politieke spectrum, ondanks de veelheid aan politieke partijen. Maar wee, de partijen moeten nimmer aan blokvorming doen!
Een grotere uitdaging is die van de immigratie en integratie. Hier is al veel over gezegd en geschreven. Het volstaat om te onderkennen dat de verschillende groepen mensen met hun verschillende sociale en culturele afkomst een overmatige beroep doen op de groepssolidariteit wanneer ze zich van elkaar afzijdig houden, zoals in sommige wijken al te lang is gebeurd.
En er is nóg een uitdaging die in dit kader genoemd moet worden: de vergrijzing van onze samenleving. Deze is door de economische crisis pregnanter geworden, omdat hij een groot gewicht legt in de schaal die we de verzorgingsstaat noemen. De verzorgingsstaat zoals we die kennen is daardoor onhoudbaar geworden. Steeds meer ouderen steeds meer zorg nodig en daar staan niet voldoende jongeren tegenover om de kosten te dragen. Dit tast de solidariteit tussen de generaties aan. Illustratief is de opkomst van de jongerenbeweging G500, die de partijcongressen van de middenpartijen wil bestormen om de vermeende politieke dominantie van de ouderen tegen te gaan.
Ik blijf ondanks alles hoop houden. Hoop is ons aller geestelijk bloed en gaat waar hij niet gaan kan. Onomkeerbaar als verval is, zo onuitroeibaar is de hoop. Zoals de Dichter des Vaderlands die even triomfantelijk als zinloos ageert tegen een land in verval, en erom geroemd wordt in de hoop de totale ondergang te stuiten.