door Redactie | jul 11, 2017 |
Adra Ghedu
Volgens de Marokkaanse journalist Mohamed Radi Ellili is de website Barlaman, waarop de video van een bijna naakte Zafzafi werd geplaatst, eigendom van Mohamed Khabachi, de ex-zwager van de huidige directeur van de Marokkaanse geheime dienst (DGED) Yassine Mansouri. Khabachi is volgens dezelfde bron bevriend met de directeur van de organisatie dat de gevangenissen in Marokko beheert. Ook was hij een hoge ambtenaar op het ministerie van Binnenlandse Zaken en directeur van de officiële nieuwsdienst MAP.
De journalist schrijft verder dat Khabachi kan worden gezien als een van de gezichten van corruptie in Marokko. Hij zou miljoenen aan projecten doorgesluisd hebben gekregen van het Marokkaanse staatsmediabedrijf SNRT.

Deze video is gepubliceerd op een pijnlijke datum voor de Makhzan, namelijk 10 juli. Op deze datum in 1971 probeerden twee officieren uit de Rif het regime van Hassan II omver te werpen. Generaal Medbouh en kolonel Ababou hebben samen met 1400 soldaten een einde proberen te maken aan het regime van de Alawieten. Er zijn doden en gewonden op die dag van de coup d’état gevallen, vooral in het zomerpaleis van Hassan II in Skhirat…

In de wandelgangen van Rabat werd dit de Riffijnse staatsgreep genoemd en heeft nog meer woede los gemaakt bij de Makhzan, en daarom wil de Makhzan waarschijnlijk wraak nemen op de Riffijnen door zo’n video te vertonen van een persoon waarvan veel Riffijnen en ook Marokkanen van houden en respect voor hebben.
door Redactie | jun 29, 2017 |
Adra Ghedu
De dichter, muzikant, maar bovenal Amazigh-activist Mohamed Chacha werd geboren op 15 augustus 1955 in Ixef n Cebdan, Qabu Yawa, Noord-Marokko. Als tiener werkte Chacha als visser in de haven van Qabu Yawa. Hier werd hij ontslagen omdat hij samen met andere vissers betere werkomstandigheden eiste.
Op jonge leeftijd werd hij zich bewust van de dictatuur in zijn geboorteland. Zijn eerste confrontatie met het regime van wijlen koning Hassan II was bij een studentenprotest. Hij werd opgepakt en geslagen. Dit resulteerde uiteindelijk in schorsing van school.
Op zijn 22e (in 1977) vluchtte hij naar Nederland om daar politiek asiel aan te vragen.
Tot aan zijn overlijden heeft hij in Amsterdam gewoond en gewerkt, waar hij actief was in de radicale Marokkaanse beweging Ila Alamam (Voorwaarts) en het Komitee Marokkaanse Arbeiders in Nederland (KMAN). Uiteindelijk heeft hij deze organisaties om ideologische redenen verlaten. Chacha bleef altijd betrokken bij diverse mensenrechtenorganisaties. Naast zijn activisme hield hij zich als autodidact vooral bezig met literatuur, taal en cultuur.

Amazigh-beweging
In de jaren tachtig van de vorige eeuw was hij één van de meest prominente leden van de jonge Amazigh-beweging in Nederland. Deze bestond uit kunstenaars, dichters, schrijvers en studenten. Dit inspireerde Chacha om ook in het Tamazight te schrijven, nadat hij zijn eerste boeken in het Arabisch gepubliceerd had. In de jaren negentig van de vorige eeuw richtte hij de Stichting Izouran (wortels) op met als doel het uitgeven van Riffijnse literatuur. Ook ondersteunde Chacha taalwetenschapper Roel Otten bij zijn lessen in het Arabisch en Tamazight door voor te lezen uit zijn werk om de spraak- en luistervaardigheid van diens studenten te verbeteren.
Zowel zijn liederen als zijn boeken bezingen en beschrijven het lot van de arbeiders, vrouwen en andere gemarginaliseerde en onderdrukte groepen.
Chacha was een gepassioneerd en actief mens. Zo heeft hij een reeks theatercursussen gevolgd en in verschillende toneelstukken gespeeld, maar ook zelf toneelstukken geschreven. Hij nam deel aan culturele evenementen en politieke bijeenkomsten in heel Europa. Dit deed hij als toeschouwer, performer en oproerkraaier. Chacha speelde luit en zong Izran (Amazigh puntdichten). Ook maakte hij radio- en tv-programma’s voor onder andere de Piratenradio en Amazigh TV. Zijn programma’s gingen voornamelijk over kunst, cultuur en politiek.
Terug in Marokko
Chacha mocht om politieke redenen zijn geboorteland een lange tijd niet in. Na de dood van Hassan II in 1999 keerde hij terug naar Marokko om zelf te aanschouwen hoe het land eraan toe was. In de eerste jaren van het regime van Mohamed VI had hij nog enig vertrouwen in de beloftes van de nieuwe koning. Hij raakte ontgoocheld toen het hem duidelijk werd dat een democratisch Marokko onder de Marokkaanse Alawieten niet te realiseren was.

In de laatste tien jaar van zijn leven sloot hij zich aan bij de Riffijnse beweging die pleit voor een vrije Riffijnse republiek zoals deze door Abdelkrim el Khattabi in 1921 is opgezet. Zelfbeschikkingsrecht voor de Rif was dan ook zijn laatste politieke eis.
Islamkritiek
Chacha was kritisch over religies, in het bijzonder de islam, de godsdienst die hij van zijn ouders erfde. Hij verdiepte zich in de oude islamitische geschriften zoals de Koran en de Hadith (overleveringen). In zijn omgeving besprak hij vaak de tegenstrijdigheden in deze ‘heilige’ teksten. Op zijn Facebookpagina plaatste hij regelmatig verzen uit de Koran en verhalen uit de ontstaansperiode van de islam die hij zelf niet begreep of die hij in strijd vond met de mensenrechten. Het ging dan bijvoorbeeld om het huwen van minderjarigen, de rechten van de vrouw en de daden van de profeet Mohamed en zijn metgezellen.
Laatste levensjaren
In 2004 onderging Chacha een longtransplantatie. Zijn artsen hadden voorspeld dat hij nog acht jaar met die longen kon leven, wat uiteindelijk twaalf jaar werd. Op zijn ziekbed in Amsterdam bleef hij schrijven aan zijn laatste roman: Hdem bna (Breek af, bouw op) die hij niet heeft kunnen afmaken. Hij bleef eraan werken tot drie dagen voor zijn overlijden. Hij overleed op woensdag 29 juni 2016 in Amsterdam op de leeftijd van 61 jaar.
Chacha is publiekelijk in zijn geboortedorp begraven, waarbij ook vrouwen aanwezig waren, wat indruist tegen de islamitische gebruiken in Marokko waar alleen mannen aan begrafenisstoeten mogen deelnemen. Hiermee was Chacha zelfs na zijn overlijden een activist.
Bibliografie
Arabisch
– Al-Maghrib Al jadid 1979, poëzie. “Het nieuwe Marokko”.
– Qasaid Al Fuqaraa 1985, poëzie. “Gedichten der armen”.
– Ayna Al Amal 198?, poëzie, “Waar is de hoop”.
– Kalimaat Mutamarrida 199?, genre? “Rebelse woorden”.
Tamazight
– Raz, Thuɛayantt d tawra zi yitaan 1995, poëzie. Honger, naaktheid en vlucht voor de honden.
– Reẓ ṭṭabu ad d teffeɣt tfukt 1997, roman. “Doorbreek het taboe, en de zon zal schijnen”.
– Ajḍiḍ umi yitwagg celwaw 1998, roman. “De blinde vogel”.
– Cway zi ti tibbuhelya ɛad war twid, 1999, poëzie. “Onvoltooide dwaasheid “.
– Abrid ɣer yezran 2000, studie over Izran. “ De weg naar liederen”.
– Tuf teqqen 2015, roman. “Het zit vast”.
– Tarwa n umadal 2015, kinderboek. “Wereldzonen”.
– Aṛaji 2016, poëzie. “Het wachten”.
– Tayri n tayri 2016, roman. “Liefde der liefde”.
– Hdem bna 2016, roman. “Breek af, bouw op” (nog niet verschenen).
Nederlands
– Honger, naaktheid en vlucht voor de honden: rebelse verzen, 1993. (vertaling van Raz, thuɛayantt d tawra zi yitaan, 1995).
door Redactie | jun 20, 2017 |
Adra Ghedu
Ieder jaar viert Marokko op 14 mei de oprichting van de Koninklijke Marokkaanse strijdkrachten, de Forces armées royales, afgekort FAR, van 14 mei 1956. Deze krijgsmacht bestond indertijd grotendeels uit soldaten die in het Franse en Spaanse leger hadden gediend. De grondleggers waren de generaals Kettani Ben Hamou en Mohamed Ben Mizzian Al Kassem. Ze waren beiden in de legers van de bezetters van hun geboorteland tot de rang van generaal gepromoveerd.
Dit leger werd ingezet tegen de eigen bevolking en buurlanden. Zo heeft de FAR met het Franse en Spaanse leger meegedaan aan de operatie Ecouvillon-Ouragan, wat de codenaam is voor het neerslaan van de ALN Armée de Libération Nationale, het Marokkaans Nationaal Bevrijdingsleger, in Zuid-Marokko.
Ook werd de FAR in de Rif ingezet om de volksprotesten van 1958 en 1959 bloedig neer te slaan. Wapens, zoals het giftige mengsel napalm, werden ook gebruikt tegen ongewapende burgers. De rechten van de mens werden geschonden.
In 1963 werd het tegen het buurland Algerije in de zogeheten Zand-Oorlog ingezet. Dit was een grensconflict tussen beide landen. Later in 1975 raakte Marokko verwikkeld in een langdurige oorlog, die in de geschiedenis bekend staat als de Westelijke Sahara Oorlog.
Datzelfde leger werd 1984 tegen de betogers in de Rif ingezet, die vreedzaam demonstreerden tegen prijsverhogingen van belangrijke levensmiddelen. Er vielen vele doden en gewonden.
De FAR had zich na de tweede couppoging van 1972 zodanig gereorganiseerd dat Koning Hassan II alle touwtjes in handen kreeg. De functies van minister van defensie en stafchef van de strijdkrachten werden afgeschaft.
Nadat Hassan II in korte tijd twee militaire staatsgrepen overleefde, riep hij zijn belangrijkste legerofficieren bijeen en zei: ‘Als ik jullie een goede raad mag geven, dan adviseer ik jullie om afstand te nemen van de politieke zaken en meer te focussen op geld verdienen’.

Met deze uitspraak institutionaliseerde Hassan II de corruptie in zijn leger. De ambitieuze officier Ahmed Dlimi woonde deze meeting bij.
Verdwijning van Ben Barka
Ahmed Dlimi is geboren in 1931 te Sidi Kacem, in een gezin dat afstamt van de Oulad Dlim clan uit de Westelijke Sahara, waarvan de clanleden van oudsher in dienst treden in het leger van de Marokkaanse sultans. Zijn vader Lahcen Dlimi werkte tijdens het protectoraat in Marokko als vertaler voor de Franse bezetter.
Ahmed Dlimi studeerde aan de Franse officierenschool Dar el Beida in Meknes en behaalde in 1953 de rang van luitenant. In 1958, na een stage in Frankrijk, huwde hij de dochter van de Marokkaanse minister van Binnenlandse Zaken en vriend van koning Mohamed V, Messaoud Chiguer, maar hij liet het meisje vallen nadat haar vader uit zijn ministerpost werd ontheven. Dlimi trouwde in hetzelfde jaar met Zahra Bouselham, een meisje uit een familie dat bevriend was met de Oufkirs.
Eind 1958 begin 1959 nam hij deel aan het bloedige neerslaan van de ‘Rif opstand’. Vervolgens werkte hij kortstondig voor de militaire inlichtingendienst. Daarna werd hij benoemd tot hoofd van CAB-1, de Marokkaanse binnenlandse geheime dienst, voorganger van de huidige DGST.
Commandant Ahmed Dlimi is door de Franse autoriteiten beschuldigd van betrokkenheid bij de verdwijning van Mehdi Ben Barka, de opponent van Koning Hassan II. Dlimi, toen onderdirecteur van de politie, bevond zich tijdens deze verdwijning op 29 oktober 1965 in Parijs. Hij meldde zich bij de Franse autoriteiten, en na een voorlopige hechtenis in de Parijse gevangenis La Santé werd Dlimi vrijgesproken. Gelijk daarna, in 1967, promoveerde Hassan II Dlimi tot de rang van kolonel.
Coup d’état
In 1970 werd kolonel Dlimi tot algemeen directeur van de politie benoemd, onder leiding van de minister van Binnenlandse Zaken, generaal Oufkir. Vervolgens kreeg Dlimi de functie van directeur van Koninklijke Adjudanten. Zo werkte de kolonel zich op tot een belangrijke veiligheidsadviseur van Hassan II.
Tijdens de mislukte coup van 10 juli 1971 in Skhirat, stond de naam van Dlimi op de dodenlijst van de coupplegers. Hij ontkwam op het nippertje aan de dood doordat hij samen met een kleine entourage van Hassan II zich schuil hield.

Bij de daaropvolgende coup d’état van 16 augustus 1972 werd het koninklijk vliegtuig, met Koning Hassan II aan boord, beschoten door Marokkaanse straaljagers. Dlimi was ook aan boord. Na de (nood)landing van het koninklijk vliegtuig op het vliegveld van Rabat-Sale stapte Hassan II snel uit zijn beschoten Boeing 727. Naast hem liep Dlimi met een herkenbaar wapen in zijn jaszak met zijn vinger op de trekker. Dlimi wilde de commandant van de Marokkaanse luchtmacht, kolonel Hassan Lyoussi, per direct liquideren. Hassan II hield hem tegen want de monarch wil eerst bruikbaar informatie over de coup uit kolonel Lyoussi loskrijgen.
Contraspionage
Dlimi kreeg meer macht na de twee mislukte staatsgrepen doordat de meeste vertrouwelingen van Hassan II zoals Oufkir waren geëxecuteerd of in de gevangenis waren beland. Dlimi was aanwezig bij het vermoorden van Oufkir in het paleis van Hassan II van Skhirat. Er wordt beweerd dat Dlimi persoonlijk het dodelijke schot heeft gelost.
De kolonel hervormde de inlichtingendiensten en creëerde in 1973 de huidige contraspionage & buitenlandse veiligheidsdienst, de DGED (Direction Générale des Etudes et de la Documentation), waarover hij de leiding kreeg.
Na twee couppogingen bevroor Hassan II de promotie van zijn legerofficieren. Dlimi werd hiervan uitgezonderd. Hij werd tot generaal bevorderd en in 1975 werd Dlimi benoemd tot de Commandant van de Zuidelijke Militaire Zone, van het zogenaamde ‘Sahara leger’, het leger dat oorlog voerde tegen Polisario. Zo kreeg Dlimi de leiding over ongeveer 75% van het Marokkaanse leger.
Rijke generaal
Dlimi behoorde tot de rijkste zakenmensen in Marokko. Hij had veel bedrijven. In zaken doen volgde hij het voorbeeld van de CIA: bedrijven opzetten om de organisatie van extra en onzichtbare inkomsten te voorzien. Dlimi deed het ook op die manier en hij profiteerde persoonlijk van de bedrijven die hij opzette.
Hij was de eerste die een Adidas-vestiging in Marokko opende. Dit bedrijf schreef hij in onder de naam van een ex-legerofficier, nu politicus, kolonel Abdellah Kadiri. Deze zei in een interview: ‘Dlimi vertelde me dat je in het Marokko van Hassan II nooit zeker bent van iets, vandaag ben ik generaal en morgen weet ik niet. Dit bedrijf (Adidas) is een verzekering voor mijn kinderen’.

Ongeluk of liquidatie?
Op 25 januari 1983 berichte de Marokkaanse staatsmedia over de dood van Dlimi. Hij zou bij een verkeersongeluk om het leven zijn gekomen. Zijn auto zou frontaal zijn gebotst op een vrachtwagen. De generaal was onderweg naar huis na een ontmoeting met de koning in Marrakech. Door mensen in Marrakech werd beweerd dat Dlimi’s auto op de avond van dinsdag 25 januari 1983, rijdend aan de rand van Marrakech, door explosieven getroffen werd.
De kist met het stoffelijke overschot van de generaal werd verzegeld, niemand mocht het openen, zelfs zijn eigen gezin en familie niet!
De betrokken vrachtwagen bij dit dodelijk ongeluk is later teruggevonden, maar van de chauffeur ontbrak ieder spoor. De vrachtwagen bleek gestolen te zijn.
In het algemeen komen bij dit soort gebeurtenissen meerdere versies voor van wat er precies gebeurd is. De dood van Dlimi is geen uitzondering daarop.
Volgens Ahmed Rami, een voormalige adjudant van Oufkir en tegenwoordig een radicale islamiet, was generaal Dlimi een coup tegen de koning aan het voorbereiden. Hassan II zou hiervan lucht hebben gekregen en liet daarom zijn generaal ombrengen. De internationale media zoals Le Monde, hebben het nieuws van Rami overgenomen. Ook Gilles Perrault, de auteur van het boek ‘Een bevriend staatshoofd, Hassan II van Marokko, absoluut monarch’ (1990), besteedde een hoofdstuk aan Dlimi, inclusief de versie van Rami over zijn dood.
Seksfoto’s
Commandant Mahjoub Tobji, de voormalig adjudant van Dlimi, bracht een andere verhaal over Dlimi’s dood naar buiten. In zijn boek ‘Les officiers de Sa Majesté: Les Dérives des Généraux Marocains 1956 – 2006’ (De officieren van Zijne Majesteit: de driften van de Marokkaanse generaals 1956 – 2006), schreef hij dat generaal Dlimi een man van de inlichtingendiensten was, en hij had overal ‘oren en ogen’ in Marokko tot zelfs in de paleizen van Hassan II.
Zo is Dlimi er achtergekomen dat Mohamed Médiouri, hoofd van het Département de Protection Royale (hoofd van Hassan II bodyguards unit), een seksuele relatie heeft met de echtgenote van de koning, Latifa Amahzoune. Dilimi zou de koning hiervan op de hoogte hebben gebracht en daarmee zijn eigen doodvonnis hebben getekend. In het Marokko van Hassan II mocht men zulk nieuws niet weten en zeker niet doorvertellen, zelfs niet aan de koning.
Dlimi zou zelfs over foto’s beschikken van Médiouri en Latifa samen in bed. Hij zou Médiouri hiermee hebben bedreigd, die vervolgens hulp zou hebben gezocht bij Dlimi’s rivaal Housni Benslimane, de commandant van de koninklijke gendarmerie. Hij en Dlimi waren verwikkeld in een machtsstrijd. Kolonel Benslimane zag zijn kans schoon om zijn machtige rivaal te neutraliseren. Hij zou vervolgens groen licht van de koning hebben gekregen om een eind te te maken aan het leven van de generaal.
Dlimi vermoorden
Hicham Dlimi, een neef van de generaal, bracht in januari 2011 een ander verhaal naar buiten. In een interview met het Franse weekbladValeurs Actuelles vertelde hij het volgende:
Dlimi was zeer dienstbaar aan de koning en daardoor werd hij zijn beste vertrouweling. Een ja of nee van de koning kon men alleen verkrijgen via Dlimi.
Op de dag van zijn dood ontbeet hij samen met een vriend van hem in zijn huis in Rabat. Deze vriend zou Dlimi hebben gewaarschuwd voor de minister van de Binnenlandse Zaken, Driss Basri. Na zijn ontbijt, vertrok de generaal naar zijn huis in de villawijk Palmeraie in Marrakech, toen hij daar aankwam, werd hij door de koning ontbonden in het paleis in Marrakech.
Daar zou de koning harde noten hebben gekraakt met zijn generaal. Hassan II zou Dlimi hebben verweten niet op tijd te komen en zijn telefoontjes niet te beantwoorden. Iets wat de generaal ontkende. Dlimi zou in het gesprek hebben geprobeerd duidelijk te maken wie er achter deze verwijten stonden, namelijk directeur van Hassan’s protocol generaal Abdelhafid el Alaoui, Driss Basri, Ahmed Réda Guédira (een adviseur van de koning) en Mohamed Médiouri.
Na zijn onderhoud met de koning, zou Dlimi terug zijn gegaan naar zijn huis. In de directe omgeving van zijn huis zou een kleine vrachtwagen de weg hebben versperd. Dlimi zou in een gepantserde Mercedes hebben gereden en hij en zijn chauffeur waren zwaar bewapend.
De chauffeur van Dlimi probeerde achteruit te rijden maar dat kon niet. De weg werd van die kant versperd door een Audi. De inzittend van Audi schoten op de auto van Dlimi maar dat haalden niets uit doordat de auto gepantserd was. Dlimi en zijn chauffeur zouden hebben teruggeschoten en de eerste aanvalsgroep hebben uitgeschakeld.
Daarna verscheen een tweede groep. Deze groep lukte het wel om Dlimi en zijn chauffeur te doden. Het lichaam van Dlimi werd onder de vrachtwagen gelegd en die van de chauffeur in de Mercedes in brand gestoken. De tuinman van Dlimi en de imam die zijn stoffelijk overschot heeft gewassen, werden later vermoord. Een bevriend militair die het stoffelijk overschot heeft gezien vóórdat het verzegeld werd, zou tegen de neef van de generaal hebben verteld dat het vol kogelgaten zat.
De ene zijn dood is de ander zijn brood
De functies die Dlimi had vervuld werden verdeeld tussen drie militairen: Kolonel-majoor Abdelaziz Bennani werd commandant van de Zuidelijke Sector; Kolonel-majoor Mohammed Cherkaoui werd directeur van het Kabinet van de Koninklijke Adjudanten en kolonel Abdelhaq Kadiri werd directeur-generaal van de contraspionage dienst DGED.

In diverse dossiers over mensenrechtenschendingen in Marokko en in getuigenissen wordt de naam van generaal Ahmed Dlimi genoemd. Hij zou persoonlijk de tegenstanders van Hassan II hebben gefolterd en mishandeld. Maar tot een rechtszaak is het nooit gekomen.
door Redactie | jun 14, 2017 |
Mektoub Gue
Graag neem ik jullie mee naar de grootste protestmars ooit van de Algerijnse imazighen op 14 juni 2001 (na vandaag 16 jaar geleden), genaamd: Tafsut Taberkant oftewel de zwarte lente.
Op 18 april 2001 was de 18 jarige student Massinissa Guermah gearresteerd door de Algerijnse Gendarmerie. De commandant van de Gendarmerie verklaarde dat deze jonge student is opgepakt n.a.v. agressief gedrag en diefstal. Echter, was er geen bewijslast en is tot de dag van vandaag onduidelijk wat de grondredenen waren waarom en waarvoor hij opgepakt werd.

Twee dagen later na zijn arrestatie is Massinissa tijdens zijn hechtenis overleden aan een schotwond. Uit een verklaring van zijn vriend die ook was opgepakt, hoorde hij vanuit de wachtkamer 3 schoten die de grond kaatsten en 1 schot die Massinissa tot stilte heeft gebracht. In die periode, de zogeheten zwarte jaren vanwege de decennia lange burgeroorlog, stonden de Algerijnse veiligheidsdiensten bekend om hun onmenselijke intimiderende methoden. Het moge duidelijk wezen dat Massinissa onder deze onmenselijke methoden is bezweken. Het breekpunt van de Kabyliërs: tot hier en niet verder.

Deze gebeurtenis was een aanleiding van verschillende protesten in de Kabyle regio dat vanaf mei begon toe te nemen. De eisen waren duidelijk: het vertrek van de veiligheidsdiensten, het opheffen van de noodstand, erkenning van de berberse taal & cultuur en het stimuleren van de lokale democratie & economie in de kabyle regio. De protesten zorgde voor veel opstoten tussen de veiligheidsdiensten en manifesterende burgers. De Algerijnse politiek was opvallend stil.
Na een maand lang protesteren, wat inmiddels resulteerde tot 80 doden en meer dan 100 gewonden, was de Algerijnse president Bouteflikka genoodzaakt het volk te woord te staan. Er werden 3 beslissingen verkondigd: geen immuniteit voor het gewelddadige optreden van de veiligheidsdiensten, herziening van de schoolexamens in de Kabyle (er was gesjoemeld met de resultaten, waardoor veel kabylische studenten dat jaar niet slaagden), opname van de amazigh identiteit en haar cultuur in de grondwet.
Echter, waren de kabylische activisten niet voldaan met deze toezeggingen. Dit vanwege eerder valse beloftes uit het verleden. De nationale politieke aandacht van de protesten zorgde ervoor dat meer mensen in het land sympathiseerde met de kabylische beweging. Naast alleen berberse jongeren, schaarden zich door het hele land ook de intellectuelen zoals dokters, advocaten, docenten en vrouwen- en mensenrechtenactivisten achter de demonstraties. Hierdoor waren de veiligheidsdiensten gedwongen minder hard op te treden tegen de demonstranten. De demonstraties kregen eindelijk een vreedzame en doorslaggevende karakter.
Terwijl de demonstraties eind mei in de Kabylische regio veel groter werden, werd de sfeer grimmiger door de massale vervoer van veiligheidsdiensttroepen naar de Kabyle regio. Op 30 mei was het weer raak, veiligheidsdiensten grepen hard in en resulteerde tot gewelddadige confrontaties. Eindstand: 15 jonge demonstranten en 10 veiligheidsfunctionarissen dood. Later is gebleken dat sommige eenheden van de veiligheidsdiensten gebruik maakten van echte kogels i.p.v. rubberen.
Er moest iets groots gebeuren. Verschillende organisaties door het hele land gingen zich mobiliseren. Echter, was de eis van de kabylische organisaties dat het initiatief van een nieuw groot demonstratie uit de kabyle moest komen. De grootste Kabylische beweging, genaamd Arouch, kwamen met het idee om een massale protestmars van de kabylische regio naar de hoofdstad Algiers te organiseren. Het probleem werd naar het hart van het regime gebracht.
14 juni 2001, in verschillende steden & dorpen in de kabyle verzamelde burgers zich met bussen en auto’s om zoveel mogelijk mensen te vervoeren. Grote steden zoals Tizi Ouzou, Bejiaia, Boumerdes en Jijel liepen helemaal leeg. Vooral jongeren mobiliseerde zich massaal. Al gauw was het duidelijk dat deze protestmars uit miljoenen mensen zou bestaan. Terwijl de veiligheidsdiensten zich klaar maakten aan de poorten van Algiers, bewapenden de jongeren zich met muziek instrumenten, spandoeken en leuzen. Liederen van martelaar Matoub Lounes werden massaal uit volle borsten gezongen, zoals “monsieur le President”, waarin onderdrukking en het niet thuis voelen in eigen land word geadresseerd. De wegen tot Algiers werden door de veiligheidsdiensten massaal afgesloten. Niemand kwam binnen of buiten. De eerste colonnes van busjes vol met demonstranten werden met geweld door checkpoints van de gendarmerie tegengehouden. Dit weerhield de demonstranten niet om de checkpoints te voet te omzeilen en via niet officiële wegen de hoofdstad te bereiken. Ondanks het geweld heeft de protestmars zijn doel bereikt; miljoenen mensen manifesteerde zich in de hoofdstad. De machthebbers hielden hun adem in.
Tot wat hebben deze demonstraties geleid? De Algerijnse regering heeft zich na een lange tijd gehoor gegeven aan een deel van de eisen. Zo is in 2011 de noodtoestand opgeheven. Grote getallen van gendarmerie zijn uit het gebied teruggetrokken. In 2015 is Tamazight als nationale en officiële taal in de constitutie meegenomen. In 2016 is het Tamazight een verplicht onderdeel voor alle scholen in het hele land. De bevordering van de democratie en economie is een issue wat het hele land aan gaat en is niet specifiek een probleem wat zich in de kabyle regio afspeelt. De afgelopen 10 jaar heeft Algerije veel kunnen profiteren van de gestegen olieprijzen, waar veel grootschalige projecten mee zijn gefinancierd. Sinds de olieprijzen de afgelopen paar jaar flink zijn gedaald, is het echter de vraag of deze investeringen voldoende zijn om de klappen van de uitdagingen waar het land nu voor staat op te vangen. Om een beeld te geven: de inkomsten van het land bestaat voor 90% uit olie export en 80% van de sociale voorzieningen worden gedekt vanuit deze olie inkomsten. Door corruptie en nog steeds dalende olieprijs zet dit het bestuur van het land onder druk. Voor het hele land zijn er nog steeds grote stappen/hervormingen vereist om dit te verbeteren.
door Redactie | jun 13, 2017 |
Adra Ghedu
De drieëntwintig jarige Salima Ziani, beter bekend als Silya Ziani, is een van de vrouwelijke gezichten en leiders van de Riffijnse volksbeweging.

Silya Ziani: bij protesten in de Rif Alhoceima
Op zondagavond 5 juni 2017 protesteerde Silya, zoals live op Facebook was te zien, in de wijk Sidi Abid in de stad Al Hoceima. Zij was van plan om deze avond haar gevangen vrienden in Casablanca te bezoeken, maar rond 01:00 werden zij en haar vrienden aan de buitenrand van Al Hoceima opgepakt door een grote politiemacht. Ze werden vervolgens naar het lokale politiebureau meegenomen. Op dat moment wisten hun ouders en vrienden niet waar zij waren.
Vanuit dit bureau werden ze naar Casablanca overgebracht, een stad die 565 km ten zuidwesten van Al Hoceima ligt. Een aantal mensen die samen met haar waren opgepakt werden vrij gelaten. Er was toen zekerheid dat Silya Ziani was opgepakt, maar er was nog geen duidelijkheid of zij ook was vrijgelaten.
Silya is overgebracht naar de Nationale Brigade van de Gerechtelijke Politie (BNPJ) in Casablanca waar ook andere gevangenen van de volksbeweging vastzitten, waaronder de leider van de Rif-protesten Nasser Zafzafi.
In haar laatst Facebook post schreef Silya: ‘Godzijdank, Groeten aan de vrije (mensen). Onze afspraak is morgen’. Virtueel roept zij mensen op om deel te nemen aan de protestacties. Ook op straat en in cafés spreekt ze mensen aan om deel nemen aan de acties. Sylia is sinds het begin van de volksbeweging eind oktober 2016, actief bij de beweging betrokken. In een gesprek laat zij weten: ‘Ik heb geen keus, Het moet werken!’
Silya Ziani is de eerste Riffijnse vrouwelijke activiste van de volksbeweging die gearresteerd werd in Marokko. Deze arrestatie en die van anderen kan als ontvoeringen worden gezien omdat de arrestanten geen officiële brief gekregen hebben en de familie van de arrestanten niet tijdig door de politie zijn geïnformeerd over de arrestaties.
Naaste militante is Silya ook kunstenares, studeert zij Engels aan de Universiteit Mohamed I in Oujda, speelt zij in een aantal theaterstukken en zingt. Zo trad Silya op in een aantal culturele evenementen.
door Redactie | jun 10, 2017 |
Adra Ghedu
Op vrijdag 26 mei 2017 trachtte de politie de woordvoerder Nasser Zafzafi, van de volksbeweging in de Rif (regio in Noord Marokko), deze demonstreerde op dat moment al zeven maanden vreedzaam voor betere sociale omstandigheden, te arresteren. Zafzafi had die vrijdag zijn onvrede geuit over de inhoud van de preek van een imam in de Mohammed V Moskee in Al Hoceima. Deze imam veroordeelde de protesten van de volksbeweging en noemde deze fitna (ofwel het creëren van sociale onrust) Zafzafi heeft deze imam een halt toegeroepen, door aan te geven dat de imam niet de politieke boodschapper van de overheid mag zijn. Een paar uur na de oproep van Zafzafi werd een arrestatiebevel uitgevaardigd. Volgens het Openbaar Ministerie belemmerde Zafzafi en anderen de godsdienstvrijheid tijdens het vrijdag gebed. Hij zou in overtreding zijn volgens het artikel 221 van het Marokkaanse wetboek van strafrecht dat zegt: ‘Wie rechtstreeks opzettelijk een belijdenis, religieuze feest belemmert of deze opzettelijk verstoord zal gestraft worden met een celstraf tussen de 6 maanden en 3 jaar en een geldboete tussen de 200 en 500 dirham’.
De beschuldiging van financiering uit het buitenland werd al eerder gedaan door Saad Eddine El Othmani, premier en leider van de PJD, die verklaarde dat namelijk op zondag 14 mei 2017 en dat de separatistische gevoelens worden aangewakkerd. Ook werden op die gelegenheid waar de regeringspartijen bijeen waren om ‘de situatie in Al Hoceima’ te bespreken door meerder regeringspartijen beschuldigingen geuit richting de volksbeweging. Rachid Talbi Alami, lid van het politiek bureau van de “National Rally of Independents’(RNI) verklaarde dat er sprake was van ‘Onregelmatigheden die geleid werden door een groep oproerkraaiers van buiten’. Khalid Naceri, lid van het politiek bureau van de Partij voor Vooruitgang en Socialisme (PPS) beschuldigt de demonstranten ervan sociale eisen te gebruiken als voorwendsel om problemen te veroorzaken.
Deze beschuldigingen zijn tegengesproken door Nasser Zafzani, die tegenover de pers te kennen gaf ‘Als we die redenering volgen, zouden alle Riffijnen achter de tralies zitten. De Rif overleeft dankzij het geld van emigranten.’ Veel mensen uit het verarmde gebied zijn naar Europa getrokken’. Ook dat de beweging naar onafhankelijkheid zou streven, sprak hij tegen. Wij hebben alleen sociale eisen naar voren gebracht, zoals toegang tot voorzieningen als gezondheidszorg en onderwijs, ook investeringen die werkgelegenheid opleveren en tegen corruptie en de militarisering van de regio, die al sinds 1958 bij koninklijk decreet van kracht is en politie en leger de legitimeert om wegversperringen op te zetten en willekeurig de bevolking te controleren.
• Vervolgens bezocht op 22 mei 2017 een delegatie van zeven ministers Al Hoceima en beloofde te investeren in de regio. Zo komt er extra geld voor leraren, voor schoolgebouwen en ook voor uitbreiding van de – al bestaande – faculteit voor hoger onderwijs. Ook zou het ziekenhuis een afdeling oncologie krijgen. Omdat deze beloften in 2015, als vervolg op de ontwikkelingen rond de zogenaamde Arabische Lente, al waren gedaan, werden zij niet geloofd. Tot onderhandelingen met de vertegenwoordigers van de volksbeweging kwam het niet. En de protesten gingen door. Ook werd er door de regering niet ingegaan op het aanbod van de ADMDH (Mensenrechten Organisatie) om te bemiddelen.
• De beschuldigingen die eerder, op 14 mei 2017, door regeringswoordvoerders zijn geuit, zijn terug te vinden in het arrestatiebevel voor tussen 20 en 40 aangehouden personen, overheidsinstanties zijn over het aantal niet duidelijk over. Sinds vrijdag 26 mei 2017 zijn volgens de autoriteiten 20 tot 40 mensen door de politie gearresteerd voor ‘het in gevaar brengen van de staatsveiligheid, het aanzetten tot misdaden, het vernederen van ambtenaren in de uitoefening van hun functie en vijandigheid jegens de symbolen van het Koninkrijk’.
• Op 27 mei, brengen de drie gezamenlijke mensenrechten organisaties waaronder ADMDH een verklaring uit;
o Waarin zij hun zorgen uiten en de vrijlating eisen van alle gevangenen.
o Zij verwerpen elke vorm politisering van religie en zien de oplossing in de invoering van secularisme en scheiding van geloof en staat, om op deze manier een democratische ruimte te creëren voor de bevolking om te geloven wat zij wil in overeenstemming met internationale rechten van de mens.
o Zij zijn van mening dat de staat de verantwoordelijkheid draagt voor de mensen in het agrarisch gebied, om hun ambities en wensen kenbaar te kunnen maken voor een fatsoenlijk leven en tegen tirannie en marginalisering zonder angst en dreiging.
o Ten slotte is zij van mening dat repressie geen oplossing is in het belang van het land. Repressie is namelijk een indicatie van corruptie, tirannie, het onmogelijk maken van werkelijke oppositie, het vernietigen van werkelijke mogelijkheden Ed.
• Op maandag 29 mei 2017, is de leider van de Volksbeweging Nasser Zafzafi, gearresteerd, volgens berichten van het Franse pers agentschap, AFP. Volgens regeringsbronnen werd hij met meerdere mensen die hem begeleidde gearresteerd en afgevoerd naar Casablanca. Hij is gearresteerd op grond van het belemmeren van het vrijdag gebed en het doen van provocerende uitlatingen.
• Inmiddels zijn een aantal mensen voorgeleid en hebben verklaringen afgelegd. Op foto’s is te zien dat de verhoren niet zachtzinnig waren. Voor folteringen en martelingen wordt dan ook gevreesd. De advocaten geven te kennen dat de door hen afgegeven verklaringen daarom niet betrouwbaar zijn.
Rechten van de mens in Marokko
• Het is bekend dat de mensenrechtensituatie in Marokko slecht is. Dit blijkt uit het Wereldrapport 2017, waarin kritiek wordt geuit op de onafhankelijkheid van de rechtspraak, repressie door politie en veiligheidsdiensten en tegenwerking van niet- gouvermentele organisaties (NGO’s) Ook hebben mensenrechtenorganisaties als Amnesty International en Human Rights Watch nog steeds geen toegang tot Marokko om onderzoek te doen.
• Op 19 mei 2015 meldde Amnesty International in haar rapport over Marokko dat er tussen 2010 en 2014, 173 vermoedelijke gevallen van folterpraktijken in Marokkaanse gevangenissen hebben plaatsgevonden. Om bekentenissen af te dwingen maken de Marokkaanse veiligheidsdiensten gebruik van slagen, waterboarding en psychologisch en seksueel geweld. Het rapport maakt duidelijk dat mensen zodra zij gearresteerd zijn, het risico lopen gefolterd te worden.
• In juni 2015 heeft Marokko twee onderzoekers van Amnesty International, John Dalhuisen en Irem Arf, opgepakt, ondervraagd en het land uitgezet. Voorafgaand aan hun uitzetting werden de twee urenlang verhoord in Rabat en Oujda. Volgens de officiële lezing, zijn zij uitgezet omdat zij een bedreiging vormde voor ‘de openbare orde’.
• Marokko kent volgens een rapport van Advocaten Zonder Grenzen ondeugdelijke wetgeving. Zo is in hoofdstuk vier van het wetboek van strafrecht, de strafbaar stelling van belediging en geweld tegen ambtenaren in openbare functie opgenomen, ook als dit niet in de openbaarheid geschiedt, en het bedreigen van de openbare orde. Door niet specifiek te definiëren wat daar onder verstaan wordt, is het aan de aanklager om dit te bepalen. Dit alles maakt het onmogelijk om overheidsinstanties te bekritiseren of aan te klagen. Deze clausules ondermijnen niet alleen de vrijheid van meningsuiting maar ondermijnt ook de neutraliteit van de wetgeving.
Conclusie
De situatie van de gevangengenomen en/of moedwillig verdwenen demonstranten in de Rif en de situatie van de woordvoerder van de beweging is zorgelijk.
Naast het feit dat zij van een aantal zaken valselijk worden beschuldigd, zoals schade toebrengen en ambtenaren in functie bedreigen en het aannemen van gelden uit het buitenland, worden zij ook nog eens berecht via ondeugdelijke wetgeving, die zelf indruist tegen de rechten van de mens.
Geraadpleegde Literatuur
– The State of the right of Freedom of Expression in Egypt, Morocco and Tunisia from 2011 to 2015, By Christopher Roberts for ASF
– World Report 2017, Human Rights Watch , events of 2016
– Amnesty International, Annual Report 2015-2016.
– Beantwoording van Kamervragen van de leden Serveas en Marcouch over de mensenrechtensituatie in Marokko, 29 maart 2017
– Verklaring van mensenrechtenorganisaties in Al Hoceima, 27 mei 2017
– Websites zoals; Amazigh Times, Morocco World News, NRC, Volkskrant, Guardian