door Redactie | mei 1, 2013 |
Danny Hoesen is 22 jaar en staat in zijn eerste seizoen bij Ajax al meteen voor een landstitel. ‘Je weet dat de kans groter is als je bij Ajax speelt, maar het is natuurlijk mooi als het dan ook direct lukt’, zegt Hoesen, die al vroeg heeft leren knokken.
Zijn route naar succes is een kronkelweg vol teleurstellingen en hobbels. In Heerlen is hij één jaar oud wanneer zijn Nederlandse moeder en Marokkaanse vader gaan scheiden.
‘Mijn drie jaar oudere zus en ik bleven bij mijn moeder. Ik was niet anders gewend. Toen mijn moeder problemen begon te krijgen, ben ik vanaf mijn elfde bij mijn opa en oma gaan wonen. Ik heb af en toe nog wel contact met mijn moeder en vader. Hij woont nog steeds in Limburg, ik spreek zijn taal niet, maar voel me er altijd thuis. Zes jaar geleden ben ik met hem in Marokko geweest, naar mijn familie. Een mooi land met gastvrije mensen.’ 
Fortuna en Roda
Voetbal neemt de belangrijkste plaats in zijn leven in. ‘Ik was altijd aan het voetballen buiten. School interesseerde me niet.’ Roda JC is eigenlijk zijn club, maar het wordt Fortuna Sittard. ‘In de jeugd ben ik met mijn opa bij beide clubs langs geweest. Bij Fortuna werden we veel warmer onthaald. Dat had ook de beste opleiding.’
Op zijn zeventiende krijgt hij de kans om stage te lopen bij Fulham. Hij kan er voor drie jaar tekenen. ‘Daar had ik veel zin in, al schrok ik wel enorm op het moment dat het echt ging gebeuren. Ineens besef je dan dat je alles achter je laat. Je vrienden, familie.’
Chelsea
Hoesen komt in een gastgezin. De Clarkes, bij vader Leroy, moeder Franzi, Stefan en Eva. ‘Ze hebben me altijd heel vrij gelaten. Ik had een eigen kamer, maar vond het ook heerlijk om met hen op de bank tv te kijken. We hebben nog bijna dagelijks contact. Zij komen ook wel eens naar Amsterdam. Echte Chelsea-fans.’
In Londen wordt hij gauw zelfstandig. ‘Ik ben een paar maanden verhuurd geweest aan HJK Helsinki, had bij Chelsea drie trainers in drie jaar. Net als ik een beetje vertrouwen kreeg, kwam er weer een ander. Best frustrerend. En de trainer van het tweede was net een dictator. In mentaal opzicht ben ik sterker geworden.’
Fysiek gezien heeft Hoesen nog wel wat progressie te boeken. Wanneer hij na een uitleenjaar bij Fortuna bij Ajax komt, is Frank de Boer duidelijk: de spits moet krachtiger worden. ‘Ik was ook acht kilo kwijt vanwege een abces in mijn keel, waardoor ik ziek was. Zo dun was ik nog nooit geweest.’
Keiharde les
Ajax kiest met hem de geleidelijke weg, maar plotseling staat hij op 3 oktober tegen Real Madrid tegenover sterren als Ronaldo, Kaká en Xabi Alonso. Hij valt in en had zich onsterfelijk kunnen maken, maar mist een dot van een kans. ‘Die avond, het was allemaal zo geweldig. Maar de volgende dag werd ik keihard tegen de grond gedrukt; iedereen had het over die bal. Debuut of niet, die moest er gewoon in. Een keiharde les.’
Hoesen verdwijnt in de luwte. ‘Ik moest een speciaal programma volgen om fysiek aan te sterken. Dat was best moeilijk, omdat ik minder aan spelen toekwam. Nu kan ik zeggen dat ik daar veel profijt van heb gehad. Bij Fortuna speelden we op de counter. Hier combineren we en moet je je lichaam gebruiken.’
Zijn eerste titel lonkt. ‘Het lijkt me super om mee te maken. En dan volgend jaar weer de Champions League in. Ik kan niet wachten.’
door Redactie | apr 30, 2013 |
Mijn vader vertrok in de jaren zestig vanuit Marokko, na een tussenstop in Algerije, naar Europa. Hij vertrok omdat er geen toekomst was in zijn geboorteland maar ook omdat hij als jonge Riffijn door het centrale gezag in Marokko niet als een volwaardig burger werd gezien. In de jaren zeventig liet hij ons overkomen naar een klein arbeidershuisje in een smalle straat in Deurne, vlak bij het Rivierenhof.
We waren het enige niet-Vlaamse gezin van de straat en dat was nietnaar de zin van de overigebewoners, die geen kans onbenut lieten om hun virulent racisme de vrije loop te laten. Waarom? Wat kon je tegen een hardwerkende vader hebben, zijn vrouw en hun drie jonge kinderen? Ik weet het nog altijd niet.
Voor mijn vader was dit racisme voldoende om opnieuw te vertrekken, deze keer naar Borgerhout, waar een paar van zijn vrienden huizen hadden gekocht en er zelfs iemand de moed had om een winkeltje te beginnen waar Marokkaans brood en munt te koop was. Maar het gras is niet altijd groener aan de overkant, want terwijl ik een niet goed in haar vel zittende tiener werd, groeide het voormalige Vlaams Blok.
Zo herinner ik me een rondleiding van een delegatie Vlaams Blokkers door onze wijk. Gids van dienst was de toen jonge Filip De Winter. Hij troonde zijn gezelschap door de straten en wees hen ongetwijfeld op de teloorgang van wat eens een florerende echte Vlaamse wijk was met kleine winkeliers en statige burgerhuizen. Het zou niet lang duren of de allerlaatste Vlamingen die er nog woonden zouden wegtrekken uit een wijk die wij nooit hebben gedeeld: ze was eerst van ‘hen’, dan van niemand en toen van ‘ons’.
Het enige wat we blijkbaar deelden was de drang om van elkaar weg te lopen. Opgroeien in Borgerhout was een bevreemdende ervaring, de wijk leek los te staan van een stad die zichzelf kosmopolitisch durfde te noemen, open voor de wereld maar gesloten voor haar eigen inwoners. Het bezorgt me nog steeds een akelig gevoel wanneer ik terugdenk aan hoe deze haattoeristen ostentatief in het midden van de straat kuierden en hun afwijzende en vijandige blikken over onze huizen, onze ouders, onze vrienden, broers en zussen lieten glijden. Het klopt niet dat racisme op den duur minder opvalt en dat het van je afglijdt als regen van een raam.
Ook uit A vertrokken
Als het al regen is dan is het zure regen dat als een gif je poriën binnendringt en je lijf verziekt. Het zet je vast in een mentale gevangenis. Het keurslijf van de vreemdeling, de gekleurde, de onbetrouwbare. Hoe kun je oprecht in een gemeenschap met mensen leven als je in een gevangenis zit, getralied met wantrouwen en vooroordelen? Onmogelijk.
En om dat gif geen kans meer te geven ben ik in 1997, na mijn studies, ook uit Antwerpen vertrokken, richting Brussel. Ik mis Antwerpen wel en soms denk ik aan teruggaan, maar ondertussen ben ik ook moeder en ik weet niet of ik dat mijn kinderen wil aandoen.
Ik wil hen behoeden voor dat vreselijke wij-zijdenken. Anderzijds is het een illusie te geloven dat je een xenofobe samenleving kunt ontvluchten, strijd zal er geleverd moeten worden en wel ter plaatse. Kinderen moeten weerbaar gemaakt worden.
En waar ik ook niet aan twijfel is aan het feit dat een samenleving die uit xenofobie haar talenten minnacht en wegjaagt, zichzelf de das omdoet. Als je, als kleine gemeenschap, op jezelf terugplooit en enkel volgens de eigen kaders wil leven en denken, dan ga je op den duur dood. Kijk maar naar wat er in de zeventiende eeuw werd van Vlaanderen toen er duizenden ondernemers en kunstenaars wegtrokken uit de Zuidelijke Nederlanden, wat nu Vlaanderen is, om naar de Republiek der Nederlanden te gaan waar er meer vrijheid was en het leven er beter was. Het heeft Vlaanderen heel wat tijd, bloed, zweet en tranen gekost om deze aderlating te boven te komen. Zo was het lange tijd maar povertjes gesteld met de literatuur in Vlaanderen. Dat sommige Nederlanders nog stiekem een beetje meewarig naar onze Vlaamse literatuur kijken, vindtzijn oorsprong in die tijd.
Uit puur zelfbehoud is het dus dringend nodig om plaats te makenvoor alle anderen. Voor hun mening, hun talent. Het moet eindelijk gedaan zijn met de overtuiging dat de wereld rond de eigen Vlaamse navel draait, want dat doet hij niet. De Vlamingen van de bodem zijn niet de maat der dingen. En vooral dit, ik moet geen echte Vlaming worden, wat dat ook moge zijn, om evenveel aanspraak te maken op Vlaanderen.
Rachida Lamrabet is schrijver van Vrouwland, Een kind van God en De man die niet begraven wilde worden.
door Redactie | apr 23, 2013 |
Binnenkort is het zover; dan gaat Karim, een kennis van mij, trouwen met zijn grote liefde. Twee jonge mensen, geboren en getogen in Rotterdam en beiden hebben Marokkaanse roots. Een paar maanden geleden ging ik met mijn vriendin en ons zoontje naar het verlovingsfeestje, dat gevierd werd in een afgehuurd clubgebouw.
De blijdschap die ik had in de aanloop naar het feestje toe, verdween helaas als sneeuw voor de zon toen we het clubgebouw wilden binnenlopen. Een aantal jonge mensen bij de deur wees, als welgeoefende beveiligers, vakkundig doch vriendelijk de gasten erop dat mannen en vrouwen gescheiden van elkaar in aparte zalen dienden te zitten. Mijn vriendin, een blonde Hollandse vrouw, keek me geschrokken en vragend aan. Nog voor we met elkaar konden overleggen hoe we de avond in godsnaam zouden doorkomen, werd ze door een aantal prachtig uitgedoste Marokkaanse meiden de vrouwenzaal in getrokken. Onze zoon van anderhalf ging mee. Hij wel. Verslagen ging ik bij de mannen zitten en hebben we elkaar de rest van de avond niet meer gezien. Door berichtjes te sturen via Whatsapp, hielden we elkaar op de hoogte van de twee feestjes. “Hoe is het met de kleine?” of: “Hier hebben we hele vieze koekjes bij de thee, en bij jullie?” Ik keek rond in de mannenzaal en ik was niet de enige die contact met zijn vrouw had. De jonge mannen deden het ook via hun telefoons en de oude garde gebruikte een andere, beproefde communicatiemethode: kinderen als koerier gebruiken. “Ga tegen je moeder zeggen dat we over een half uur weg gaan”. En vanuit de vrouwenzaal: “De vrouwen gaan nu eten, neem jij de baby even over?” Kinderen renden de zalen in en uit alsof hun leven ervan afhing.
Aan het eind van de avond vormde zich een ware opstopping bij de uitgang. Groepjes mannen die op hun vrouwen wachtten om naar huis te gaan. Dezelfde kindkoeriers renden af en aan om berichten over te brengen. Dat de man nog even geduld moest hebben omdat de vrouw nog bezig was iedereen gedag te zeggen. En op het moment dat één van de vrouwen aan kwam lopen, stapten de mannen met gebogen hoofden opzij of liepen snel de zaal weer in om oogcontact te vermijden. Stel je voor, oogcontact met iemand van het ander geslacht! De hele avond, en ook nog lang daarna, bracht ik mijn hersenen zinloos geweld aan door een antwoord proberen te vinden op die prangende vraag: Waarom? Bruid en bruidegom zijn in een Nederlandse samenleving opgegroeid, studeren en werken, maar zijn vooral jong. Ik ken genoeg Marokkaanse bruiloften waar iedereen gezellig en kriskras door elkaar zit, staat en vooral met elkaar danst. En geloof me; Marokkanen kunnen feesten! Waarom dan kiezen voor een Berlijnse Muur, waar alleen de kinderen weten wat er aan de andere kant van die muur gebeurt? Waar mannen en vrouwen elkaar niet mogen zien. Was dit hun eigen keuze? Nee, natuurlijk niet. Dit is opgedrongen en komt voort uit verwachtingen van de omgeving. Velen geloven dat het te maken heeft met een religieuze plicht, dat mannen en vrouwen niet in dezelfde ruimte mogen zijn. Ik ben het daar niet mee eens. Het is een kwestie van geen ruimte bieden voor diversiteit en individuele keuzevrijheid. Ze doen dit niet om dichter bij God te kunnen zijn, maar om de groep, waar ze bij horen, niet teleur te stellen. Omdat diezelfde groep meent dat mannen zich niet zouden kunnen beheersen bij het zien van vrouwelijk schoon. Dit is vreemd, gezien de snelle, dynamische ontwikkeling van jonge Marokkaanse Nederlanders. Elementen als gemakzucht en angst voor de reacties uit een cultuur van schaamte en taboe winnen het van de eigen keuze.
Ik wil bepaalde gebruiken binnen een gemeenschap altijd in waarde laten maar ik wil niet blijven voorlezen uit eenzelfde hoofdstuk, ik wil vooruit! Ben ik dan een afvallige? Dat weet ik niet, maar wat ik wel weet is dat er gelukkig heel veel andere Marokkaanse Nederlanders, zoals ikzelf, hier kritisch over na denken. En proberen dingen te veranderen. Laten we met z’n allen die muur steen voor steen afbreken. Je zult zien dat er achter die muur een nieuwe wereld open gaat en dat het feest dan veel leuker is. En wat betreft de aanstaande bruiloft van Karim: Gelukkig heb ik de vrijheid om te kiezen om daar wel of niet naar toe te gaan. Ik denk dat ik deze gelegenheid oversla. Heb niet zoveel zin in een apart feestje.
Door:Rachid Benhammou
Rachid Benhammou is journalist en cultureel ondernemer uit Rotterdam en directeur van een adviesbureau. 
door Redactie | apr 21, 2013 |
De Riffijnse voetbalclub Chabab Rif Alhoceima (CRA) heeft vandaag tijdens de uitwedstrijd tegen Kénitra KAC een 2-0 zege in de wacht gesleept. De 3 waardevolle punten zijn binnen gehaald met een doelpunt van Fouad Talhaoui in de 57ste minuut en Sabir Ghanjaoui bracht KAC in de 5de minuut van de blessuretijd de genadeklap.
Van de afgelopen 4 wedstrijden waarbij CRA er 3 in maar 9 dagen tijd speelde heeft de club 10 punten binnen gehaald met 3 overwinningen en 1 gelijkspel. Hiermee komt de mediterrane club op een voorlopige 6de plaats in de competitie te staan met 32 punten.
Onder de gelederen van de club en de sympathisanten is er veel lof over de prestaties die de spelers en de trainer Said Zekri ondanks de zwakke financiële tegemoetkoming vanuit de leiding van de club.
door Redactie | apr 18, 2013 |
Veel Marokkaanse steden hebben een Joodse wijk, de mellah, hoewel de meeste Joden inmiddels weggetrokken zijn. Tot voor de Tweede Wereldoorlog bruiste het in de wijken van leven, zoals in de mellah van Tetouan in Noord-Marokko. beeld Flickr
AmazighTimes:Pieter Bliek
De rol van Joden is in veel islamitische landen beperkt gebleven, maar niet in Marokko. De betrekkelijke vrede tussen de islamitische en Joodse burgers door de eeuwen heen is opmerkelijk. Hoe komt dat?
Voor de komst van islam leefde de Joodse gemeenschap in goede harmonie met de autochtone bewoners van het huidige Marokko, de Berbers. Dat veranderde niet wezenlijk nadat moslims in de zevende-eeuwse Noord-Afrika veroverden: Joden genoten zelfs de speciale bescherming van de sultans.
Vaak bleken Joodse en islamitische Marokkanen dezelfde doelen na te streven. In de vorige eeuw streden de Joden zij aan zij met hun volksgenoten in de bevrijdingsstrijd tegen het Franse protectoraat. Daarom verklaarde koning Mohammed V, die de nationalistische beweging in de jaren dertig aanvoerde, dat de Joden volwaardige Marokkanen waren en dezelfde rechten en plichten hadden als de moslims.
Toen het pro-Duitse Vichyregime na de Franse capitulatie de rassenwetten in de kolonie wilde invoeren en de Marokkaanse Joden dreigde af te voeren naar de Europese vernietigingskampen, verzette de koning zich openlijk tegen deze anti-Joodse maatregelen op Marokkaans grondgebied. „Ik sta mijn kinderen niet af. Wij hebben hier alleen Marokkanen”, waren zijn roemruchte woorden.
Marokko onderscheidt zich van veel Arabische landen en Israël, doordat de Joden hier meestal in betrekkelijke rust en openheid hebben samengewoond met de moslimgemeenschap. Volgens de Joodse adviseur André Azulay van koning Mohammed VI is er daarom voor de Marokkaans-Joodse gemeenschap zelfs een speciale voorbeeldfunctie weggelegd voor het vredesproces in het Midden-Oosten.
Handjevol
Toch is de Joodse minderheid in Marokko bij lange na niet meer wat ze geweest is. Ooit was de Joodse gemeenschap met zo’n 700.000 zielen de grootste binnen de Arabische wereld. Nu leven de meesten van hen elders; voornamelijk in Israël. Dat land beschouwen sommigen als hun tweede Marokko.
Nog maar een handjevol van enkele duizenden Joden is in Marokko achtergebleven, op een bevolkingsaantal van 32 miljoen. De reden dat de meesten het land verlieten, is het religieuze aspect. Israël was immers het beloofde land. Maar ook de oplevende anti-Joodse gevoelens die de oprichting van de staat Israël in 1948 door de strijd met de omringende Arabische landen veroorzaakte, deden velen besluiten hun vaderland toch te verlaten.
Daarnaast waren economische en sociale redenen van doorslaggevend belang. De veelal arme Marokkaanse Joden die op het platteland woonden, konden de verleiding niet weerstaan toen hun een nieuw leven in de moderne huizen van Israël werd aangeboden. Een heuse exodus was het gevolg.
Onder begeleiding van internationale zionistische organisaties vertrokken er na de Marokkaanse onafhankelijkheid in 1956 nog eens tienduizenden Marokkaanse Joden richting Israël. Toen de Arabische wereld zich in 1967 –tijdens de Zesdaagse Oorlog met Israël– vernederd voelde, leefden ook de anti-Joodse sentimenten in Marokko op. In enkele maanden tijd vluchtten maar liefst 7000 Joden uit voorzorg naar de „veilige thuishaven.”
Van de Joodse aanwezigheid in Marokko zijn nu vooral ruïnes aanwezig. De olijfbomen zijn stille getuigen van het ooit bloeiende Joodse leven.
Spijswetten
De Marokkaanse Joden die zich niet lieten verjagen wonen hoofdzakelijk in Casablanca. Ze beschikken over een eigen Joodse raad die hen in staat stelt te beslissen over alles dat hoort bij het Joodse gemeenschapsleven, zoals rabbinaal toezicht op de eredienst en toezicht op het naleven van de spijswetten. De gemeenschap heeft eigen scholen en jeugdclubs en er zijn meerdere synagogen.
Marokko is het enige land ter wereld waar het Joodse familierecht door rabbijnse rechters in regeringsdienst wordt uitgeoefend volgens de wet van Mozes. Dat is zelfs in Israël niet het geval. Maar bij gewone geschillen zijn de Joden wel gelijk aan andere burgers en mag de moslimrechter dus wél optreden. De gelijke behandeling van moslims en Joden is sinds de onafhankelijkheid van Frankrijk in de grondwet verankerd.
Bij Joodse aangelegenheden wijst de Joodse rechtbank overigens haar vonnissen wel toe in naam van de Marokkaanse koning. „Want we blijven als Marokkaanse Joden hoe dan ook onderdaan van de koning”, zei Simon Levi, secretaris van de Joodse raad in Marokko, enkele jaren geleden trots in een televisiedocumentaire van de Nederlandse Moslim Omroep.
Volgens Levi zijn Joden en moslims nauw met elkaar verweven in de Marokkaanse samenleving. „We zijn geen Israëlische Joden, maar Marokkaanse Joden en hebben evenals de moslims een Marokkaans paspoort. Onze voorouders liggen hier begraven en Marokko is dan ook van ons allemaal.”
Keppeltje
Driekwart van de Marokkaanse bevolking is na de grote uittocht van 1967 geboren en weet nagenoeg niets van de Joodse invloed in de Marokkaanse politiek en cultuur. Ook de geschiedenisboeken zwijgen over de Joodse historie. Niet verwonderlijk dat voor de jonge generatie Marokkanen in binnen- en buitenland het de Joden zijn die hun Palestijnse moslimbroeders verdrijven.
De Nederlands-Marokkaanse Jood Sami Kaspi, die met zijn stichting Maimon scholen bezoekt om vooroordelen en antisemitisme onder moslimjongeren over Joden weg te nemen, vindt het verdrietig dat zij het Joods-zijn niet van de Israëlische nationaliteit kunnen onderscheiden. „Wanneer ik een klas vol Marokkaanse leerlingen binnenstapt met mijn keppeltje op en vervolgens Arabisch begin te praten en vertel dat ik zowel Jood als Marokkaan ben, reageren ze steevast verrast.”
De leerlingen vertellen Kaspi dat hun ouders hun nog nooit over het Joodse verleden van Marokko hebben verteld. Als voorbeeld van religieuze tolerantie in hun land vertelt Kaspi hun dat de Marokkaanse koning tijdens officiële toespraken zegt dat Marokko een land is voor zowel moslims, Joden en christenen, omdat er godsdienstvrijheid heerst. Kaspi: „Met het vertellen van dat soort dingen hoop ik de Marokkaanse jeugd respect bij te brengen voor andere religies.”
Simon Levi vindt het een plicht van de overgebleven Marokkaans-Joodse gemeenschap om haar culturele erfgoed in stand te houden. „De Joden vormden voor Marokko het venster op de wereld.” En dat is vandaag de dag nog steeds het geval. De wereldwijde netwerken van de Marokkaans-Joodse gemeenschap bijvoorbeeld vormen nog altijd de basis voor een speciale relatie tussen Israël en Marokko, wat zonder meer bijzonder te noemen is in de Arabische wereld.
Jood kreeg onder sultans dhimmistatus
Hoewel Joden als ”mensen van het boek” werden gezien –ze ontvingen volgens de islam ook een deel van Gods openbaringen– werden ze nooit helemaal gelijkwaardig in Marokko.
Hun werd de zogenoemde dhimmistatus toegekend. Dit hield in dat de Joden toestemming werd verleend hun godsdienst uit te oefenen in ruil voor het betalen van een speciaal soort belasting. Daarnaast moesten de Joden respect tonen voor de islam en zich schikken naar het moslimgezag.
Sommige historici noemen de dhimmistatus discriminerend. Joden zouden tweederangsburgers zijn onder de islamitische overheersing. Volgens anderen klopt het niet dat de Joden alleen maar werden geknecht en onderdrukt door de moslims, hoewel het historisch wel juist is dat de mate van vrijheid van de Joodse gemeenschap in Noordwest-Afrika nogal eens wisselde.
Onder de Almohaden (1140-1240) werden vele duizenden Joden afgeslacht omdat zij de dhimmistatus niet erkenden. Velen werden gedwongen zich tot de islam te bekeren. Pas onder de Mariniden (1240-1465) mochten de Joden hun geloof weer openlijk belijden.
Mimoena: Joods feest met Marokkaans tintje
Al generatieslang vieren Joden uit Marokko na afloop van de laatste dag van Pesach het feest Mimoena. Vorige week donderdag, 11 april, werd het ook in Nederland gevierd.
Het feest is ooit ontstaan ter herinnering aan de sterfdatum van Dayan Rabbi Maimon ben Joseph, de vader van Moses ben Maïmon ofwel Maimonides. Deze Maimonides was een beroemd arts en heeft zijn sporen verdiend als commentator van de Thora en de Talmoed. Maimonides en zijn familie waren van Marokkaanse afkomst en woonden in de oude koningsstad Fes.
Joden in Marokko vieren het feest gewoonlijk de hele nacht. Daarbij wordt gezongen, gedanst en gegeten.
door Redactie | apr 9, 2013 |
Wanneer het Marokkanen regent in Nederland, dan druppelt het ook in België. Deze keer was het de beurt aan Nederland om het over Marokkanen te hebben. Dikwijls denken Belgische en Nederlandse Marokkanen over elkaar: ‘Ha, wij hebben vorige keer onze portie gehad. Nu is het aan jullie, maar straks komen wij weer aan de beurt.’
Het begon met een discussie dat Marokkaanse jongeren oververtegenwoordigd zijn in de criminaliteitscijfers. De PVV noemde het een Marokkanenprobleem en ze wilden in de kamer een Marokkanendebat houden. Hier zie ik de N-VA nog niet snel roepen dat we een Marokkanenprobleem hebben en dat we dringend een Marokkanendebat moeten houden. Maar bij ons ligt het iets anders, wij hebben nog de Walen.
In een goede democratie komt het verstand met de jaren, maar ik heb de indruk dat het niveau in het Nederlandse parlement steeds dieper begint te zakken. Het parlement wordt in Nederland al jarenlang gedomineerd door de partij van Geert Wilders. Een partij die even racistisch is als Heinrich Himmler op een druilerige lentedag en die als een genitale wrat rond de aars van de Nederlandse samenleving kleeft.
Ik vraag me af waarom de andere politici zo zwak zijn en zich zo gemakkelijk rond de vinger winden om het wat over Marokkanen te hebben. Als Marokkaan moet je het maar aanvaarden: je bent een scheldwoord geworden. Je hoort steeds dezelfde clichés, steeds dezelfde vooroordelen, steeds dezelfde beschuldigingen. Je hoort de steeds weerkerende echo van kutmarokkaantjes in het hoofd.
En hoe lang duurt die echo nu al? Tien, twintig, dertig jaar?
Het is al zo lang dat het als een chronische ziekte in onze hoofden is genesteld. Marokkaan: Barbaar. Marokkaan en moslim: fascistische barbaar.
Ik ben van Marokkaanse afkomst en van kleins af aan hoor ik weleens dat ik niet op een Marokkaan lijk. Geen probleem, ik weet dat ik onvergelijkbaar ben. Maar wat mij nu stoort is dat ze het met een goedkeurende glimlach doen. Alsof ze mij een compliment geven en ik mij gelukkig mag prijzen dat ik niet op een Marokkaan lijk. Ik weet dat ik de vergelijking niet mag maken, maar om nog eens een knoop in je zakdoek te leggen, ga ik het toch maar doen.In de jaren dertig was er ook een Jodenprobleem, liepen er ook kutjoden rond en hielden ze ook Jodendebatten.
De meesten zullen het niet weten, maar er is heel wat diversiteit tussen Marokkaanse Nederlanders en Marokkaanse Belgen. Persoonlijk vind ik dat Marokkanen uit Nederland wel erg hard op Nederlanders lijken. Hetzelfde gebit, dezelfde monkellach, ze zijn een stuk groter dan normaal, bovendien zijn ze ondernemend en koesteren ze het debat. Eigenlijk zijn het gewoon Nederlanders.
Wij, Marokkanen uit België… welja, laten we zeggen dat eigen lof stinkt. Marokkanen zijn nooit een samenhangende groep geweest, we helpen elkaar liever naar de afgrond dan voor elkaar op te komen. Zo gaat dat. Bij het Marokkanendebat viel vooral de assertiviteit en eensgezindheid van de Marokkaanse gemeenschap in Nederland op. Want je kunt niet eindeloos vragen om een dialoog aan te gaan met een partij wier enige bestaansreden het demoniseren van bevolkingsgroepen is.
Je moet niet glimlachen en in de hoek blijven zitten waar de klappen vallen. Geef liever zelf een verbale stoot.
Share on favorites | Share on facebook Share on twitter Share on netlog Share on digg More Sharing ServicesMeer bookmarks |

Fikry El Azzouzi Alsof ik me gelukkig mag prijzen dat ik niet op een Marokkaan lijk