door Redactie | jul 30, 2016 |
Het Marokkaanse kabinet heeft enkele weken voor het einde van de regeringsperiode de beloofde organieke wet voor het Tamazight gepresenteerd. De organieke wet moet de implementatie van de officiële taal het Tamazight regulieren. Dit zoals sinds 1 juli 2011 in de grondwet staat. De plannen van de regering die een doorloop hebben van 5, 10 en 15 jaar zijn echter kritisch ontvangen door de Marokkanen.
Vorm
Al in de voorbereiding van de organieke wet was er kritiek op het proces. Zo was de Amazigh beweging niet te spreken over dat zowel burgers als organisaties enkel met een mail hun input konden leveren. Zij verwachtten meer verschillende dialoogbijeenkomsten voor verschillende doelgroepen. Volgens mensenrechtenactivist en advocaat Ahmed Arremouch hoort bij een dergelijke wet ook een onafhankelijk orgaan te worden geïnitieerd die de gang van zaken controleert opdat objectiviteit kan worden gewaarborgd en niet afhankelijk is van politieke partijen.
Tamazight overgeleverd aan wensen van onderwijsraad
Amazigh publicist Ahmed Assid verbaast zich vooral over dat de organieke wet voor het Tamazight aan de visie van een onderwijsraad wordt onderworpen. De raad heeft reeds haar visie voor de hervorming van het onderwijs gepresenteerd en deze ontving vanuit Amazigh hoek veel kritiek. De positie van het Tamazight in de plannen werden te marginaal bevonden en komen niet overeen met wat de grondwet schetst mbt het Tamazight. Namens Het Amazigh Observatorium voor rechten en vrijheden gaf Assid aan dat iedereen verwachte dat de organieke wet een grondslag zal zijn die niet afhankelijk is van zwakke visies zonder draagvlak. Volgens Assid is de visie van de eerder genoemde raad zwak omdat de raad niet objectief is en veel conservatieve politieke vijanden van het Tamazight telt. Volgens Assid hebben zij niet het doel met het Tamazight vooruit te komen maar haar vooruitgang juist te dwarsbomen. Assid geeft aan dat het vreemd is dat in de plannen van de raad staat dat Tamazight enkel als orale taal zal worden onderwezen. Assid vraagt zich af: ‘wie zou dan de naar het Tamazight vertaalde naamborden en officiële documenten moeten lezen?’.
Troef
Volgens activist Khamis Boutakmante laat het plan zien hoe het establishment echt kijkt naar het Tamazight. Volgens de activist ziet de regering de implementatie van het Tamazight als van secundair belang en enkel een troef in voorbereiding van de verkiezingen die over ongeveer 1 maand plaats vinden. Volgens de activist is de benadering van de staat van het Tamazight en de Imazighen als een minderheid een minderheid een belediging voor de Imazighen. Volgens de activist is dit plan een signaal naar hen die de verwachting dat het centraal gezag oprecht is naar het Tamazight en de Imazighen.
Justitie
Volgens mensenrechtenactivist en advocaat Ahmed Arremouch benadert de organieke wet Marokkaanse burgers als vreemden in de jurisdictie. Zo garandeert de organieke wet enkel tijdens de rechtszetting een (gratis) tolk en wordt het Tamazight niet door alle lagen en functies geïmplementeerd.
Media
Ahmed Assid gaf ook aan dat in de gepresenteerde organieke wet staat dat er meer zendtijd in het Tamazight moet zijn op staatsmedia maar dat er geen aantal uren aan zijn gekoppeld. Volgens Assid kunnen media hierdoor misbruik maken van dat hieraan geen concrete wensen zijn gekoppeld. Hierdoor kunnen media met een enkele uur meer zendtijd aangeven dat ze voldoen aan de eisen.
Bewust vertragen van proces
Advocaat en politicus Ahmed Adghirni heeft ook flink uitgehaald naar de regering van Abdelillah Benkirane. Volgens Adghirni heeft de regering bewust getreuzeld bij de presentatie van de organieke wet. Dat de volledige implementatie nog tot 15 jaar op zich zal laten wachten vindt Adghirni onverantwoordelijk en het doel hebben om de implementatie van het Tamazight te dwarsbomen.
door Redactie | jun 29, 2016 |
Asis Aynan
Een aantal jaar geleden werd op initiatief van de Utrechtse vereniging Syphax een documentaire over Chacha gemaakt. “Vlak voor ik vertrok, vroeg mijn moeder hoe lang ik in Europa zou blijven.” Hij wist dat hij nooit zou terugkeren naar Marokko en loog tegen zijn moeder, omdat hij haar geen pijn wilde doen. “Over vijf jaar ben ik terug,” antwoordde hij.
Op 22-jarige leeftijd vestigde Chacha zich in 1977 in Amsterdam. Hij woonde het overgrote deel van zijn leven in de Van Woustraat.
Mohammed Chacha (1955 -2016) werd geboren in het Riffijnse Kabou Yawwa, een verbastering van cabo de agua; zeekaap. Ook al was zijn voornaam Mohammed, hij stelde zich consequent voor met Chacha. Hij vond dat zijn ouders een grote fout hadden gemaakt door hem de naam van de islamitische eindprofeet te geven.
In zijn dichtbundel met de stomp-in-het-gezicht-titel Honger, naaktheid en vlucht voor de honden staat dat Chacha een vrijwillige balling was. Van dat vrijblijvende vertrek was weinig sprake, omdat Chacha door zijn engagement niet veilig was voor het moorddadige regime, dat geleid werd door dictator Hassan II. Nadat Chacha naar Nederland vertrok, is zijn familie door de autoriteiten gepest, geïntimideerd en zelfs onteigend. Je zou denken dat door de inspanningen van de Marokkaanse overheid Chacha een staatsgevaarlijke oproerkraaier was. Maar zoals dat meestal het geval is met paranoïde regimes; het monster zijn ze zelf. Chacha was een groot multitalent, maar hij bezat niet de gave en de wens tot anarchie.
Met hulp van de hippiebeweging kreeg hij politiekasiel. In Nederland voelde hij zich thuis en vond hier snel zijn weg, naast het dichterschap en politiekactivisme, ging hij aan het werk in de gehandicaptenzorg.
Wie Chacha ontmoette, zag een forse, goedlachse man, die grote en stevige ideeën had over de politiek, maatschappij en religie. Hij hield ervan om filosofen te lezen, Kierkegaard, Jung en Nietzsche behoorden tot zijn favoriet.
In de jaren negentig zette hij Uitgeverij Izouran op, een uitgeverij die publicaties van Amazigh/Berberschrijvers bezorgde. Hij gaf grote dichters uit, als Walid Mimoun en Ahmed Ziani, en minder gearriveerde namen: Mustapha Ayned en Houssein Akrouh. Het initiatief inspireerde mij om in 2011 de Berberbibliotheek te beginnen.
Ook Chacha’s boeken verschenen bij Uitgeverij Izouran. Hij was een van de eersten die in het Berbers schreef, daarmee heeft hij een grote bijdrage geleverd aan de literaire Berbertaal op schrift. Hij publiceerde gedichten, romans, korte verhalen en cultureelantropologisch werk, waar hij onder andere in ging op de waarde van de oud Riffijnse izran (epigrammen). Zijn kennis van deze izran was enorm en hij bracht de Marokkaanse puntdichten vaak onder begeleiding van de luit ten gehore op culturele avonden, waar hij een graag geziene gast was. Op die momenten articuleerde hij op het podium ook vaak zijn afkeer van religie en het Marokkaanse koningshuis. Zo was hij een groot voorstander om de Rif-Republiek in ere te herstellen, een onafhankelijk Noord-Marokko zonder staatsgodsdienst.
Zijn snijdende opinies en onverbloemde woordkeuze zorgden ervoor dat hij door een deel van het publiek werd gelaakt. Maar Chacha’s geëngageerde geest kon niet anders dan de hypocrisie die hij tegenkwam in deze wereld te bekritiseren; hij had een erge hekel aan totalitaire systemen. Chacha had de diepe overtuiging dat elk mens het recht heeft op een vrije en persoonlijke ontwikkeling, en in dat plaatje paste allah noch alleenheerser.
Als hij zich voor de zoveelste keer onbegrepen voelde, dan won Koning Alcohol van het verstand, en verloor hij zich in groteske scheldpartijen.
Chacha gruwelde van het opkomende fundamentalisme in de Marokkaans-Nederlandse gemeenschap. In het tijdschrift ZemZem schreef hij een lang gedicht waar dat sterk uit bleek: Maar de dwaas staat op/ hij gehoorzaamt extremisten/zijn lichaam in Amsterdam/ de geest in Tora Bora. Hij had ook een luchtigere, geestige kant. Op een debatavond waar de schrijver Kader Abdollah een column uitsprak, vertelde hij dat migranten nu eenmaal tien keer harder moeten werken dan autochtonen. Chacha stond op en zei dat hij het nonsens vond en dat hij langzamer ging werken, tien keer langzamer. Maar dat was niet waar, want Chacha was een bezige bij. Het afgelopen jaar schreef hij twee romans en een bundel met gedichten voor kinderen.
In het hospitaal viel het op hoeveel bezoek hij ontving en hoe jong de bezoekers waren. Hij wist contact te houden met de tijd en haar jongelingen. Ook dat talent bezat hij.
Chacha werd geboren op een kaap, zijn literair werk is eveneens een voor¬ge¬berg¬te dat over de zee tuurt en waar wij slechts tegenop kunnen kijken.
Als een reiger
staar ik in zee.
Zonsondergang
is een schilderij
dat hangt
boven de ruimte.
door Redactie | mei 27, 2016 |
Het Marokkaanse metrologisch instituut heeft afgelopen week een opvallende warme week geregistreerd. Zo zou begin van de week in Marrakech zelf 42 graden Celsius zijn gemeten.
Volgens een woordvoerder van het instituut vooral in het gebied Souss, Hawz en Tadla. Hier zou de gemiddelde warme met meer dan 8 graden zijn overschreden. Desondanks spreekt het instituut niet van een hittegolf.
Vanaf vandaag zou warmte van het weer ook terugkeren naar de normale gradaties. Dat zal tussend e 20 en 25 graden zijn langs de kuststreken, rond de 20 in de hoger gelegen gebieden en tussen de 25 en 30 in het binnenland.
door Redactie | apr 13, 2016 |
Ajacied Abdelhak Nouri heeft bedankt voor een uitnodiging van Jong Marokko. De middenvelder, actief bij de A-junioren en beloftenploeg van de Amsterdammers, verkiest een interlandcarrière in Nederland vooralsnog boven De Leeuwen van de Atlas.
Mark Wotte is de bondscoach van Jong Marokko. Met die ploeg hoopt de 55-jarige oud-trainer van onder meer ADO Den Haag, FC Utrecht en Willem II en voormalig technisch directeur zich te plaatsen voor het toernooi om de Afrika Cup 2017.
Nouri plaatste zich onlangs met Oranje Onder-19 voor het EK in Duitsland van komende zomer. De Marokkaans-Nederlandse spelverdeler is aanvoerder van de ploeg van keuzeheer Aron Winter, die sinds dinsdagmiddag weet welke landen hij zal treffen op het Europese eindtoernooi.
door Redactie | apr 12, 2016 |
65 jaar geleden kwamen de eerste Molukkers naar Nederland. Molukse Nederlanders die opgroeiden in de jaren 70, zien gelijkenis met hoe Marokkanen nu tegen vooroordelen moeten opboksen.
Zijn de jonge Marokkaanse Nederlanders van nu de jonge Molukse Nederlanders van toen? Zaman Vandaag zocht enkele Molukse Nederlanders op met die vraag, onder wie onderzoeker en historicus Wim Manuhutu (57). Hij bevestigt dat er paralellen te trekken zijn. ”Met het eerste brandmerk liepen wij, de jonge Molukkers van de jaren 70, rond. En met het tweede stigma leven jonge Marokkanen vandaag de dag, dat levert de nodige problemen op”, zegt Manuhutu. Als zoon van een Molukse vader groeide hij op in Leerdam.
Molukse Nederlanders kwamen in de jaren 70 geregeld in het nieuws met het bezetten van gebouwen en met de treinkaping van 1977. Acties waarbij doden en gewonden vielen. Deze Molukse Nederlanders eisten meer aandacht voor de Molukse kwestie op de Molukken. Nederland zou zich voor onafhankelijkheid van de Molukken moeten inzetten, maar deed daar geen tot weinig moeite voor, duidden de actievoerders.
”Vooral na de treinkaping voelden wij ons als Molukkers, zeker niet overal gewenst in de Nederlandse samenleving”, vertelt Marthen Pattipeilohy (67). Samen met zijn vrouw Meity woont hij in Apeldoorn, als Moluks echtpaar zitten ze in het bestuur van instelling Samen Steunen Wij De Molukken. ”We werden met argusogen bekeken, net als de Marokkanen nu”, zegt zijn vrouw Meity (66).
Marthen was lang docent op mbo-scholen: ”Ik maakte zo alle culturen van Nederland van nabij mee. Zoals wij als groep – door sommige autochtone Nederlanders – verantwoordelijk werden gehouden voor de heftige gebeurtenissen met Molukkers als daders, zo zie ik nu dat de maatschappij soms doet alsof alle jonge Marokkanen crimineel zijn.” Zijn vrouw: ”En daarmee voelt de jonge Marokkaan zich soms, begrijpelijk, een tweederangsburger. Dat idee gaven Nederlanders mij soms ook, het idee van: hé, ze moeten me niet.”
De Rotterdams-Molukse dominee Zeth Mustamu (64) neemt de parallellen tussen Molukse en Marokkaanse Nederlanders minder waar. ”Al is iedere spijker krom te krijgen, als je dat wil. Ik trek het liever breder. Het probleem waar beide groepen volgens mij mee te maken hadden of hebben zit hem in de dominante blanke meerderheid die de minderheid ongelijke kansen geeft.”
Tweederde van de jongeren, met deels of geheel een Marokkaanse achtergrond, zijn tussen hun 12e en 23ste wel eens aangehouden door de politie, zo stelt het Sociaal en Cultureel Planbureau in een rapport uit 2012.
”Precies dat maakte ik in de jaren 70 ook mee”, zegt Pattipeilohy. ”Ik begreep het motief van de kapers en gijzelaars. De regering deed niets aan het verschrikkelijke lot van onze ouders. De acties gingen mij natuurlijk te ver, maar na de gebeurtenissen werd ik als ik met Molukse vrienden in een auto zat wel meerdere keren aangehouden. Een aanleiding was er nimmer het was complete willekeur. De hele auto doorzochten ze. Alsof wij ook een trein zouden gaan kapen.”
In een reportage in De Volkskrant stelt een buurtbewoner van de Utrechtse wijk Kanaleneiland. ”Marokkanen? Allemaal dieven!” En zo zijn er in kranten- en tv-reportages tal van dergelijke uitspraken vastgelegd de afgelopen jaren.
”40 jaar geleden woonden wij in Amsterdam”, vertelt Meity. Marthen: ”De ruit van een auto was ingegooid en vervolgens had iemand er spullen uit gestolen. Een woedende buurman stapte op mij af: ‘Dat wordt allemaal gedaan door jullie soort tuig!’ Oftewel, hij wist meteen zeker dat een Molukker dat gedaan had.”
Relatief veel Marokkaanse Nederlanders hebben geen werk. 37 procent van de jongeren is werkloos, volgens cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (2014). Manuhutu: ”Voor jonge Molukkers vroeger gold nagenoeg hetzelfde percentage.” Marthen: ”Diezelfde discriminatie op de arbeidsmarkt van toen, zie je nu bij Marokkanen.”
Het stigma op Molukse Nederlanders is langzaam weggeëbd, zo onderschrijven Manuhutu en Marthen. Kunnen we iets leren van dit proces en dat inzetten bij de situatie omtrent Marokkaanse Nederlanders? Marthen: ”Wat belangrijk is geweest is het 1000-banen-plan voor Molukkers, zo’n 30 jaar geleden. De overheid zorgde er via projecten voor dat 1.000 werkloze Molukkers werk kregen. Werk schept perspectief.”
Manuhutu weet dat ook nog goed. ”Dat Molukse werkplan gaf mensen een baan. En die mensen gaven andere Molukkers hoop. Als mijn neef werk kan krijgen, dan ik toch ook?”
Mustamu wijst daarnaast op het belang van de invloed van een rolmodel: ”Simon Tahamata, de voetballer, nam de Molukkers op sleeptouw. Hij profileerde onze gemeenschap. Hetzelfde zie ik Ali B doen voor de Marokkanen. Zulke figuren kunnen enorm veel betekenen voor de emancipatie.”
Manuhutu: ”Wanneer de teneur in een gemeenschap verandert in een stemming dat er juist wel een baan te vinden is, doen mensen mee in de samenleving. Zonder werk is het makkelijker om het verkeerde pad op te gaan. Want maatschappelijke ontevredenheid maakte van enkele Molukkers deels treinkapers, denk ik.”
ANDRÉ VALKEMAN
zamanvandaag
door Redactie | apr 11, 2016 |
De Noordelijke Rifgebergte is al eeuwenlang een thuisbasis voor hasjdealers, smokkelaars en bandieten. Nu is het ook een broedplaats voor de terroristen van Europa geworden.
In de weken na de aanslag in de Belgische hoofdstad hebben de autoriteiten en journalisten geen tijd verspilt om de link te leggen tussen de aanslag in Brussel en Parijs, tussen een schuilplaats hier en een vingerafdruk daar. De lijnen die de complexe spinnenweb van verwantschappen en vriendschappen verbinden langs de nationale grenzen, beginnen nu een Jackson Pollock schilderij te symboliseren met een onaangename boodschap: ‘ Dit zijn de lijnen en punten die een dodelijke terroristische samenzwering kunnen binnenhalen van idee tot uitvoering’.
Het blootleggen van de vormen en inhoud van Europese terroristische cellen is zonder twijfel een essentieel onderzoekswerk. Maar verloren tussen al deze lijnen die de grijze Europese, stedelijke landschappen verbind, zijn de met zonovergoten heuvels, valleien en dorpen in het noorden van Marokko. Het is Marokko waar we naartoe moeten. We moeten de netwerken volgen die teruggaan naar de generatie van het koloniale tijdperk en de Mediterrane Zee (een zee dat Europa en Noord-Afrika eerder verbind dan verdeeld) oversteken om te kunnen begrijpen wat jonge mannen bezield om aanzienlijke schade en chaos aan te richten in Europese hoofdsteden.
Aan het hart van de terroristische aanslagen over de hele wereld de laatste 15 jaar, ligt de Rif. Een bergachtige regio in Noord-Marokko dat zich uitstrekt vanaf de Westelijke steden Tanger en Tetouan tot in het oosten van de Algerijnse grens. Waar armoede heerst, maar waar het rijk is aan Marihuanaplanten, hasjdealers, smokkelaars, sjacheraars en verzetsstrijders die zich hebben verzet tegen koloniale machten, postkoloniale koningen en elke autoriteit dat zich boven hen verhief. Voor de kinderen van de Rif, welke zijn getransplanteerd naar Europa, kan deze achtergrond zich combineren met marginalisatie, toegang tot criminele netwerken en radicaliteit om de zwakkeren te kunnen overtuigen om aanslagen te plegen.
De eerste links die werden blootgesteld tussen de Rif en Terrorisme was waarschijnlijk na de bombardementen in Madrid op 11 maart 2004, omdat de daders bijna allemaal banden hadden met Tetouan. Drie jaar later na de aanslagen in Madrid schreef Andrea Elliot een artikel voor de New York Times Magazine en bezocht de hardwerkende stad Tetouan in hartje Rif. Hier sprak Elliot een aantal jongeren die waren geïnspireerd door de bombardementen in Madrid en die zich een baan wenden naar Irak om zich aan te sluiten bij de Iraakse Al-Qaeda, de voorloper op de Islamitische Staat, die tegen de troepen van de VS vocht.
Bijna 10 jaar later heeft dezelfde gewelddadige Toerisme geleid tot de aanslagen in Parijs en Brussel. Een van de laatste Riffijnen die internationaal berucht werd, was Najim Laachraoui, de bommenmaker van IS die in 2013 naar Syrië is afgereisd en zijn explosieve expertise afmaakte. We kennen hem nu allemaal als een van de drie mannen die op dinsdagochtend 22 maart met een karretje door het vliegveld van Zaventem liep. Hij wordt veelal beschreven als ‘de derde man’ (of de man met het hoedje) die na het plegen van de aanslagen is ontsnapt. Maar Belgische aanklagers zeggen nu dat Laachraoui een van de twee zelfmoordterroristen was die zichzelf op het vliegveld van Zaventem opblies.
Laachraoui zag het levenslicht in Ajdir, een stadje in Marokko met een trotse Riffijnse geschiedenis. Hij had de Belgische nationaliteit en was voor het grootste deel opgevoed in het Brusselse Schaerbeek.
Salah Abdeslam, verdachte van de aanslagen in Parijs, en zijn broer Brahim, die een van de terroristen was die het had gemunt op cafés en restaurants in het 10de en 11de arrondissementen waarna hij zichzelf opblies in een populaire Parijse eettent op 13 November 2015, hadden ook een Riffijnse achtergrond. De leider van het groepje, Abdelhamid Abaaoud, was niet van Riffijnse komaf, zijn familie komt uit het zuiden van Marokko.
De bagage van de regio gaat ver terug in de geschiedenis. De Rif heeft heel wat te verduren gekregen met gevechten tussen Berberse koninkrijken in de prekoloniale tijd, welke een weg baande naar grotere oorlogen en verzetten tegen de Spanjaarden en Fransen tijdens het koloniale tijdperk. Onafhankelijkheid in 1956 heeft ervoor gezorgd dat Spanje en Frankrijk zich terugtrokken. Maar de machtsproblemen tussen de nieuwe, onafhankelijke Marokkaanse elites en de Berbervolkeren wakkerde een nieuwe tijdperk van conflicten aan dankzij de Marokkaanse koning Mohamed V en zijn opvolger Hassen II. Door de Riffijnse historie van verzet bedankte de Staat de Rif met decennialange verwaarlozing.
Hassan II staat bekend om het feit dat hij zijn paleizen in Tanger en Tetouan nooit bezocht. Overheidsinstellingen in de regio werden verwaarloosd waardoor Islamisten met Wahabistische ideeën hun kans grepen om hun gedachtegoed te verspreiden in achterstandssteden, zoals Tetouan. Vandaag de dag scoort de regio het hoogst op het gebied van Armoede, vroeg overlijden en Analfabetisme in combinatie met de Marokkaanse lage groei index. De huidige koning, Mohammed VI, heeft geïnvesteerd in de regio en bezoekt het regelmatig als zijn vakantiebestemming, maar de vrijgevigheid van de koning heeft de gemiddelde Riffijn niet tot bedaren gebracht. Zoals Elliot in haar stuk schreef, ‘ Veel inwoners vinden hun gammele auto’s geen match met de nieuwe snelwegen en zijn jammerlijk niet getraind om te concurreren voor de banen in de extravagante resorts in de regio’.
Het verhaal van de familie Abdeslam is een typisch Riffijns patroon. De ouders komen oorspronkelijk uit Bouyafar, een dorp in de provincie Nador in de Rif. Ze verlieten Bouyafar voor Algerije, wat toen Frans grondgebied was waar Berberse mannen werkten voor Franse landeigenaren of zich vestigden in snelgroeiende Algerijnse kuststeden. In Algerije kregen de Abdeslams de Franse burgerschap, wat zich resulteerde in dat al hun kinderen ook de Franse nationaliteit kregen. Stap twee van de Riffijnse migratie zag miljoenen de naoorlogse golf van ongeschoolde arbeiders de West Europesche mijnen en fabrieken vullen en het was in de zestiger jaren dat de familie Abdeslam naar België kwam.
Terwijl Europa de economische kansen bood waarvoor de eerste generatie zeer dankbaar was, kampte de volgende generatie met tegenslagen en de economische val in de zeventiger jaren maakte het er niet beter op. De ooit zware industrie en kolenmijnen die de Marokkanen uitnodigden uit hun dorpen werden gesloten. De Belgische jeugdwerkloosheidscijfers die rond de 8 procent was, steeg naar meer dan 20 procent. Voor de Belgen van Marokkaanse of Turkse origine waren de cijfers meer dan het dubbele daarvan.
Maar werkloosheid was niet de enige factor die de Belgische moslims deed radicaliseren. Onder de Belgische moslim minderheid (ongeveer 5,9 procent van het 11.3 miljoen tellende volk) vormen de Marokkanen de grootste gemeenschap (tussen de 400.000 en 500.000), gevolgd door de Turken op de tweede plaats. Terwijl Belgen met een Marokkaanse achtergrond het Terrorisme in het land domineren in de laatste 15 jaar, hebben experts een gebrek aan Turkse namen op de terroristenlijst bevonden. In een land als België (welke geen geschiedenis heeft van kolonisatie in moslimlanden) is er niet genoeg aandacht besteed aan inlichtingen en beleid op het gebied van criminelen die radicaliseren. Dit is heel jammerlijk, omdat deze antwoorden namelijk een oplossing kunnen bieden voor wat primair een landelijk probleem is met transnationale implicaties.
Waarom zijn de Belgen van Turkse afkomst zo ongeïnteresseerd in Extremisme? De reden hiervoor variëren: Om te beginnen spreken zij de Turkse taal dus zijn zij minder kwetsbaar voor Arabische Wahabi bekering dan hun Marokkaanse broeders. Dan is er de cultuur: In een recent New York Review of Books interview, heeft hoogstaand Terrorisme-onderzoeker aan de Koninklijke Militaire Academie in België, Didier Leroy, een stuk geschreven waarin hij verteld dat ‘’een bepaald type van identiteitsconstructie in de Turkse gemeenschap, waar het seculiere erfgoed van Mustafa Kema Atatürk blijkbaar nog steeds een rol speelt.’’ Een andere belangrijke factor is hoe moskeeën worden gerund door imams: Turkije stuurt hun eigen imams om de Turkse gemeenschap in België te dienen en de meeste moskeeën die worden bezocht door de Turken worden gerund door het Diyanet, een Turks orgaan voor religieuze doeleinden welke een strakke regering heeft over de religieuze sfeer in de Turkse staat. Tot tegenstelling van de Marokkaanse moskeeën die worden gerund door imams die worden opgeleid in de golf en prediken een Salafi vorm van Islam die bekend staat als radicaler dan de Maliki wetschool dat word gepraktiseerd in Noord en West-Afrika.
Maar schuilend op de achtergrond van dit is daar nog steeds de Rif, een radicaliserende factor op zichzelf.
De dynamische pacificatie, mismanagement en verwaarlozing van de regio overgenomen uit het koloniale tijdperk, weerspiegeld de plaag in de Pakistaanse stamgebieden. Net als de Rif, ( wat in het Arabisch letterlijk ‘’de rand van vruchtbaar grond’’ betekend) hebben de stamgebieden van Pakistan zich een traditie gebaseerd op eer, wraak en gastvrijheid eigen gemaakt. Wanneer de oude orde ten val raakt in afwezigheid van staatsinstituties, groeien radicale ideologieën in deze regio’s als marihuana gewassen op de Rif hellingen.
De bagage van verwaarlozing heeft zelfs de gelukkige Riffijnen die de armoede zijn ontsnapt in Europa beïnvloed. De oudere generatie arriveerde in een toen Franse Algerije, België of het Franse vasteland terwijl zij de Franse taal niet machtig waren doordat de Rif door Spanje gekoloniseerd werd. Ook spraken zij Amazigh-talen en dialecten en waren dus ook de Arabische taal niet machtig.
Onder deze omstandigheden namen de oude Riffijnen hun traditie van eer, rechtvaardigheid en vijandigheid tegen de autoriteiten mee naar de Brusselse wijken waar deze tradities tot bloei kwamen. Eerlijk of niet, de Belgische autoriteiten beschrijven de Rif-gemeenschap in het land als wetteloos en een ‘agressieve stamcultuur’ waardoor zij zich onderscheiden van andere immigranten gemeenschappen. In een scherpzinnige Politico stuk ‘’Molenbeek Brak Mijn Hart’’, schreef Teun Voeten die in Molenbeek heeft gewoond zoals meer witte, geschoolde Belgen om te profiteren van de lage huurprijzen, dat hij droomde dat zijn kinderen zouden spelen met de kinderen van zijn Marokkaanse buren in een multiculturele liefdeszone. Maar hij vond de buurt nauwelijks multicultureel. Integendeel, met een populatie van grofweg 80% Marokkaanse origine was het jammerlijk tragisch conform en homogeen. Je zult in Casablanca en Marrakech vast een levendige alternatieve cultuur vinden, maar zeker niet in Molenbeek.
Maar wat Voeten niet begreep (en wat meerdere Belgen nog steeds niet begrijpen) is dat de ‘alternatieve culturen’ van Casablanca en Marrakech zo ver van Molenbeek staan zoals de heuvels van de Rif en het koninklijk paleis in Rabat. Terwijl nieuwkomers in de wijk worden behandeld als indringers, zijn er voor de oude migranten en hun kinderen een speciale band. En deze speciale band, gebaseerd op oude gedragscodes waar gastvrijheid boven de wet staat, deed Salah en Brahim Abdeslam en hun criminele, jihadistische broeders helpen verstoppen en ontwikkelen.
Dit zijn de soorten netwerken die de gemiddelde witte Belg en de Franse veiligheidsdiensten nu moeten doorbreken en infiltreren. Nou, ik wens hen veel succes toe. Het oude koloniale verleden komt zich wreken en de beste oplossing om dit probleem op te lossen, is door de veiligheidsdiensten meer divers te maken en verzekeren dat migranten niet het gevoel krijgen dat zij worden tegengewerkt bij het vinden van een plaats in de samenleving. Het is belangrijk om de nuances van origine te begrijpen, (specifiek als het aankomt op het aannemen van imams en veiligheidssamenwerkingen tussen Europa en Noord-Afrikaanse autoriteiten) maar het is ook belangrijk om ervoor te zorgen dat we niet in de val trappen van stereotypering. Bijvoorbeeld door te zwijgen over het feit dat niet alle Riffijnen terroristen of criminelen zijn. Zoals de meerderheid van de moslim immigranten in Europa vinden de meeste Riffijnen de Islamitische Staat niet-islamitisch en een vloek voor de religie die zij praktiseren. Europa is rijk aan gekwalificeerde Riffijnen. De burgemeester van Rotterdam Ahmed Aboutaleb bijvoorbeeld, is Riffijns.
De in Marokko geboren Aboutaleb zorgde vorig jaar voor opschudding in de Nederlandse politiek toen hij zei dat moslims die niet willen aanpassen op kunnen rotten. Het is dit soort toffe praat van een mede-Riffijn die de Riffijnen respecteren. Ik ga het nogmaals zeggen: Het word hoog tijd dat we de Islamitische gemeenschap gaan betrekken in dit gevecht in de hoogste posities van de samenleving. Vergeet het Islamofobe blanke rechts en de politiek correcte links in Europa. Zij kunnen discussiëren en bekokstoven wat ze willen in hun zalen en ateliers. Maar dit gevecht moet worden gewonnen op de straten van
About Leela Jacinto (foreignpolicy.com)
AmazighTimes.nl