door Redactie | sep 18, 2018 |
De politie heeft zaterdag in Sidi Kacemeen man gearresteerd voor de seksuele misbruik van een 4-jarig meisje.
De verdachte werd in het verleden al veroordeeld voor alcohol- en drugssmokkel. Hij werd gearresteerd nadat de moeder van het meisje aangifte deed bij de politie van misbruik met geweld.
Volgens de nationale veiligheidsdienst DGSN werd het meisje medisch onderzocht waarna de verdachte in zijn woning werd gearresteerd. De man werd in bewaring gesteld. Een onderzoek is aan de gang.
Op de seksuele misbruik van minderjarigen staat volgens de Marokkaanse wet tussen 10 en 20 jaar gevangenisstraf.
door Redactie | sep 18, 2018 |
Ook vrouwelijke mensenrechtenactivisten ontkomen niet aan de misdaden en willekeur van de Marokkaanse overheid. In navolging op andere Riffijnse vrouwen, is nu ook Nihal Ahabbad veroordeeld. De mensenrechtenactiviste is een bekend persoon binnen de Riffijnse volksbeweging. Ze riep meerdere malen op tot het vreedzaam uiten van de ongenoegen van de burgers in Arif. Ondanks haar vreedzame uitspraken en het vreedzaam demonstreren op Internationale Vrouwendag, is ze nu veroordeeld tot 6 maanden voorwaardelijke celstraf en een boete van 5000 dirham.
Riffijnse vrouwen die eerder zijn bestraft en veroordeeld voor het deelnemen aan vreedzame demonstraties, door de Marokkaanse autoriteiten:
Bouchra Al Yahyaoui: Twee maanden celstraf en een boete van 5000 dirham (haar verloofde is veroordeeld tot 20 jaar celstraf).
Silya Ziani : Voorarrest uitgezeten en naakt gefilmd door de Marokkaanse overheid.
Nawal Ben Aissa: Dreigementen en meerdere verhoren, uiteindelijk veroordeeld tot tien maanden voorwaardelijke celstraf en 500 dirham boete.
door Redactie | sep 18, 2018 |
Op 18 september 1921 kwamen vertegenwoordigers van verschillende Riffijnse stammen bijeen om het verloop van hun strijd tegen de bezetter te discussiëren na de grote militaire overwinningen die ze hadden geboekt (Chronologie van de slag om Anoual).
Bij de vergadering werden belangrijke beslissingen genomen waaronder de volgende punten;
•Arif werd onafhankelijk verklaard.
•Mohend Abdelkrim Elkhattabi werd aangesteld als president (met de Riffijnse titel Moulay Mohend, betekent prins Mohend).
• Het oprichten van een regulier leger.
• Het oprichten van een nationale raad die alle Riffijnen vertegenwoordigt en die het werk van de regering controleert (parlement). De nationale raad kreeg ook de taak om een grondwet op te stellen.
• 18 september 1921 werd als de Onafhankelijkheidsdag uitgekozen.
•Het niet erkennen van de Franse-Spaanse verdrag van 1912 (het verdrag gaf die twee landen het recht om Arif te bezetten als onderdeel van Marokko).
•Het vertek van de Spanjaarden uit Arif.
• Volledige erkenning van de onafhankelijkheid van Arif.
• Spanje moet schadevergoeding betalen aan de Riffijnen voor de verliezen van de afgelopen 11 jaar.
• Het vestigen van vriendschappelijke betrekkingen met alle landen.
• Toetreding tot de Volkerenbond (voorloper van de Verenigde Naties).
Regering
Op 01-02-1922 werd Moulay Mohend herkozen als prins van Arif, op 18 september werd hij al gekozen, maar het aantal bevrijde stammen was klein. Op 01-02-1922 werd de vergadering bijgewoond door alle Riffijnse stammen, ook de pas bevrijdde stammen stemden. Op dezelfde vergadering werd ook de eerste Riffijnse regering bekend gemaakt;
•President van de republiek: Mohend Elkhattabi (40 jaar).
•Vice president: Mhamed Elkhattabi (30 jaar).
•Minister van Financiën: Abdeslam elkhattabi (40 jaar).
•Minister van Buitenlandse Zaken en de Marine: Mohamed Azarkan (36 jaar).
•Minister van Defensie: Abdeslam n Rhaj Mohamed Elbouayachi en Ahmed Boudra (33 jaar).
•Minister van Justitie: Mohamed n’Ari (Ben Ali) Temsamani.
•Minister van Binnenlandse Zaken: Elyazid n Abdeslam (45 jaar).
•Inspecteur -Generaal der republiek: Mohamed Boujibar (30 jaar).
•Eerste secretaris van de republiek: Mohamed Mohammadi (30 jaar).
•Inspecteur-Generaal van de Marine: Heddo n’Ari (Ben Ali) Lamallam.
•Inspecteur van de eigendommen van de staat en Habous: Ahmed Aaroud.
•Belastinginspecteur: ‘mar n Mohammadi.
•Thesaurier-generaal: Mas’oud Bena’in (Riffijnse joodse handelaar uit Alhoceima en goede vriend van moulay Mohend).
•Rechter der rechters “president van de Hoge Raad”: Mohamed Bensaleh.
•“Bureau voor de pers”/ persbureau: Hanan Abdelaziz.
Hervormingen
Ondanks de oorlog die de Riffijnse republiek opgelegd werd door Spanje en later door een coalitie van Spanje, Frankrijk en Marokko wist de Riffijnse regering belangrijke hervormingen door te voeren, hieronder een paar voorbeelden
Politieke hervormingen:
De Riffijnse regering belastte de nationale raad met de taak om een grondwet samen te stellen die “de macht van het volk” moest vertegenwoordigen. Met de nieuwe grondwet werd een einde gemaakt aan de eeuwenoude Izarfan (traditionele Amazigh wetten). De grondwet was 1 van de belangrijkste instrumenten waarmee de Riffijnse leiding het volk wilde moderniseren.
Militaire hervormingen:
De Riffijnse regering stichtte een professioneel leger die de grenzen van de republiek verdedigde gedurende het hele jaar. Het hoofdkwartier van de Opperste Raad van de Strijdkrachten was gevestigd in Targuist. De gemiddelde soldaat kreeg dagelijks 2 Spaanse pesetas en voedsel. het leger was ingedeeld in drie onderdelen; infanterie, cavalerie en artillerie. Alle soldaten hadden een verenigd univorm, elk onderdeel scheidde zich af door de kleur van de tulbanden van de soldaten. De Riffijnse regering heeft meerdere pogingen gedaan om gevechtsvliegtuigen te kopen maar zonder resultaat, het Riffijnse leger beschikte over drie gevechtsvliegtuigen, een van de Riffijnse piloten was Heddo Abeqqoy. Tijdens de Riffijnse belegering van Titawin/Tetouan werd gemeld dat er een Riffijnse vliegtuig boven de stad vloog. De Riffijnse marine beschikte over twee kleine schepen en een aantal boten waarop de Riffijnse vlag wapperde en de Riffijnse wateren patrouilleerden.
Economische hervormingen:
De Riffijnse regering probeerde buitenlandse investeerders aan te trekken om te investeren in de mijnindustrie. De regering inde ook verschillende belastingen, de armen en gewonden werden vrijgesteld. De belangrijkste inkomen voor de regering was echter het losgeld dat Spanje heeft betaald voor de vrijlating van de krijgsgevangenen. Vanuit Caïro doneerde ene Mohamed Elmannou namens de organisatie Islamitische Conferentie 9.000 Engelse pond, maar Abdelkrim Elkhattabi dankte af en zei dat de Riffijnse regering genoeg geld had en dat het geld beter gedoneerd kan worden aan andere volkeren die ook strijden tegen hun bezetter.
Infrastructuur:
De Riffijnse regering legde wegen aan (waarvan een paar nog steeds gebruikt worden), er werd ook een telefoonnetwerk aangelegd. Vanuit de hoofdstad Ajdir waren Moulay Mohend, de regering en officieren constant op de hoogte van de ontwikkelingen op de verschillende fronten. Abdelkrim Elkhattabi bouwde ook rechtbanken, scholen (ook meisjesscholen). Er was een poging om een groot en modern ziekenhuis te bouwen in de hoofdstad Ajdir, maar de Westerse landen weigerden de benodigde apparatuur te leveren en het ziekenhuis werd nooit afgemaakt. Met behulp van Britse experts werd een radiostation gebouwd in de hoofdstad Ajdir. De Riffijnse regering wilde studenten sturen naar Turkije en Egypte om kaders voor de toekomst op te bouwen, maar de embargo die Arif werd opgelegd door de Fransen, Spanjaarden en Engelsen belemmerde de reis.
Zoektocht naar erkenning
Op diplomatische vlak probeerde de Riffijnse regering erkenning te krijgen van de internationale gemeenschap. In dit kader had de Riffijnse regering vertegenwoordigers / ambassadeurs in zowel frankrijk als England, de ambassadeurs probeerden zowel de regeringen, politieke partijen als de nationale publieke opinie ervan te overtuigen dat handelsbetrekkingen tussen Arif en hun land beter is voor beide volkeren dan oorlog voeren.
De Riffijnse president Moulah Mohend schreef meerdere malen naar Engelse premier Ramsay MacDonald, in een van de brieven sprak hem aan “namens de mensheid om te bemiddelen tussen de Riffijnen en de Spanjaarden om een einde te maken aan de gruwelijke oorlog die onschuldige levens oogst”. De brieven van de Riffijnse president werden echter genegeerd door de Britten die in een onafhankelijk Arif een gevaar zagen voor hun koloniale rijk.
De Riffijnse president schreef ook een brief naar de Volkerenbond in een poging erkenning te krijgen voor Arif als een onafhankelijk republiek. Maar de Fransen, en andere koloniale machten gebruikte hun invloed om daar een stokje voor te steken. De brief van Riffijnse republiek ligt nog steeds in de archieven van de Verenigde Naties. In de brief benadrukte de Riffijnse president dat “De Riffijnen geen Marokkanen zijn in de mate dat de Engelsen zichzelf anders beschouwen dan Duitsers” en dat “de Riffijnse taal anders is dan de Marokkaanse”.
Capitulatie
In 1925 voegde Frankrijk en Marokko zich aan de kant van Spanje en er werden verschillende fronten geopend tegen de jonge republiek. In het begin boekte het Riffijnse leger grote overwinningen en wist grote gebieden van zuidelijk Arif, dat bezet was door Frankrijk te bevrijden. Het Riffijnse leger was slechts een paar kilometer verwijderd van de stad Fes, de inwoners van de stad konden de kanonnen horen.
De ontwikkelingen volgden echter snel in het nadeel van Arif, de Franse president-generaal Huber Lyoutey werd vervangen door de Franse generaal en held van de Eerste Wereldoorlog Philippe Pétain. De Engelse vloot patrouilleerde de Riffijnse wateren en versterkte de embargo. Duitsland leverde wetenschappers aan Spanje die twee fabrieken bouwden waarin gifgasbommen werden geproduceerd. De Spaanse, Franse en Marokkaanse coalitie brachten een leger op de been bestaande uit ruim 700.000 soldaten (sommige bronnen melden 500.000 en andere melden 900.000). Tanks, oorlogsboten, vliegtuigen en alle andere moderne wapentuig werd ingezet. Toen de Riffijnse regering realiseerde dat het Riffijnse volk (bestaande uit circa 500.000 inwoners in totaal) met uitroeiing werd bedreigd (vooral door de gifgasaanvallen die complete dorpen uitroeiden) capituleerde officieel op 07 mei 1926. Sommige elementen van het Riffijnse leger zetten de strijd door als guerrilla tot 1927. Een Franse officier meldt in dit verband “geen enkele Riffijn die zich overgaf had munitie bij zich”, wat aangeeft dat de Riffijnen zich verzetten tot de laatste kogel.
Nalatenschap
De Riffijnse republiek en verzet inspireerde talloze volkeren om wapens te nemen tegen hun bezetter, in Vietnam, China, Afrika en Zuid-Amerika waren alle ogen gericht naar Arif. Mao Zedong, Che Guevara en de Vietnamese leider Hồ Chí Minh hadden bewondering voor het Riffijnse verzet. De oorlog in Arif zorgde voor interne problemen in Spanje die eindigden in de Spaanse burgeroorlog tussen 1936-1939.
In 1956 vertrok de Spaanse bezetter, zijn plaats werd ingenomen door de milities van de racistische Marokkaanse pan Arabische partij Hizb Alistiqlal. De partij zaaide dood en angst onder de Riffijnse bevolking, de leiders van de Riffijnse bevrijdingsleger Heddou Aqchich en Abbas Lamsadi waren twee van de vele slachtoffers van de Arabische militie.
In 1958 kwam het Riffijnse volk in opstand tegen de Marokkaanse terreur, de milities werden uit Arif verjaagd en kantoren van de racistische partij werden in brand gestoken. Een Riffijnse delegatie reisde af naar Rabat om een lijst van eisen van het volk waaronder; de terugkeer van de Riffijnse leider Moulay Mohend uit zijn ballingschap, Riffijnen aanstellen in Arif (autonomie), een belangrijke post in de regering geven aan een Riffijn etc..
Marokko antwoordde echter met het sturen van het leger onder leiding van Hassan II, het leger dat uitgerust was met Franse wapentuig werd gesteund door Franse piloten en een Amerikaanse vliegeenheid. Het ongewapende Riffijnse volk dat uitgeput was door de vele oorlogen had geen kans en de Marokkaanse leger verrichtte een bloedbad onder de bevolking, duizenden Riffijnse vrouwen en kinderen werden op barbaarse manier gedood.
Na de genocide van 1959 volgde een deportatie van de Riffijnen naar de Europese mijnen en fabrieken, in de hoop dat ze onder de slechte werkomstandigheden zullen bezwijken of zullen assimileren in het Westen.
In 1971 pleegde de Riffijnse officieren Abbabou en Madbouh een mislukte coup op de dictator Hassan II. Madbouh kwam om tijdens de de coup en Abbabou werd samen met honderden andere soldaten opgepakt. Voordat hij geëxecuteerd werd liet hij een andere gevangene weten dat “Riffijnen republikeinen zijn” en dat zijn idool Abdelkrim Elkhattabi is.
Door de Marokkaanse terreur (genocides, deportaties, economische marginalisering, arabiseringspolitiek, vervalsing van de geschiedenis etc…) weten vele Riffijnen vandaag de dag weinig over de Riffijnse republiek. De bewustzijn onder vele jongeren groeit echter wel, vooral in Europa waar informatie toegankelijker is voor de gemiddelde persoon.
Marokko slaagde er dus in om het land van de Riffijnse republiek te annexeren, maar de ziel van de republiek leeft nog voort bij vele Riffijnen.
door Redactie | sep 17, 2018 |
Meerdere dorpjes in de regio van Al Hoceima werden in de afgelopen dagen geteisterd door zware regenval met als gevolg overstromingen die veel schade veroorzaakten.
Volgens verschillende bronnen werd onder meer het dorpje Isaken ernstig getroffen. De autoriteiten en bewoners van het dorpje werkten samen om de slachtoffers te helpen en de wegen terug te openen.
Sommige bewoners van de getroffen dorpjes vragen dat de autoriteiten ingrijpen en voor voedsel en de heropening van de wegen zorgen. Een persoon raakte tijdens de overstromingen gewond.


door Redactie | sep 17, 2018 |
Adra Ghedu
De lezing die Cadi Kaddour, kort voor zijn dood, op uitnodiging van de culturele vereniging Amazigh, in Amsterdam heeft gehouden. Hier volgt de essentie van zijn laatste lezing in het Nederlands vertaald door Ahmed Essadki & Roel Otten, gepubliceerd in het gedichtenbundel Strijdkreet van de aarde, Ahmed Essadki (1997).
Tamazight behoort tot de Hamito- Semitische (of Afro-Aziatische) talen en is bezig een plaats te veroveren in de moderne wereld. Dat gaat niet zonder problemen: het Tamazight geldt in de Maghreb-landen niet als een taal maar als een dialect.
Een van de intellectuelen die zich voor de groei en de bloei van hun moedertaal inzetten is Kaddour Cadi (1952–1995). Deze geleerde kwam in 1995 om bij een tragisch auto-ongeval. In zijn korte leven heeft hij zich onvermoeibaar ingespannen, zonder enige zweem van kortzichtigheid of chauvinisme, laat staan fanatisme of separatisme. Dit bleek, behalve uit zijn wetenschappelijke publicaties, uit de lezing die hij, kort voor zijn dood, op uitnodiging van de culturele vereniging Amazigh, in Amsterdam heeft gehouden. Hier volgt de essentie van zijn laatste lezing in het Nederlands vertaald.
Lezing Cadi Kaddour
‘De Tamazight-taal leeft en heeft geen advocaat nodig: de Imazighen die ons hebben opgevoed verdienen meer dank en respect van ons dan degenen die zich de Tamazight-taal toe-eigenen! Zeker, we moeten onze taal niet vergeten, maar tegelijkertijd moeten we niet nalaten open te staan voor andere talen: wij kunnen ons in alle talen uitdrukken!
Tamazight is een Noord-Afrikaanse taal van respectabele ouderdom. In tegenstelling tot bijv. de taal van de farao’s, is het Tamazight tot op heden levend gebleven. In de afgelopen twee decennia is deze taal begonnen de marge van de geschiedenis te verlaten en zich te bewegen in de richting van het centrum. Naast de religie en de positie van de vrouw is het Tamazight een issue van belang geworden, en wel één die zwaar zal wegen op de Maghreb-landen, of wij dat nu wenselijk vinden of niet. Het Tamazight heeft zijn marginale positie verlaten en is een taal geworden. Hoe kunnen wij in de toekomst de positie van deze taal versterken?
Eerst wil ik het hebben over de vraag die in de kringen van Tamazight-sprekende intellectuelen en in publicaties op het gebied van de Amazigh-cultuur onophoudelijk gesteld wordt: ‘Waarom Tamazight?’ Naar mijn mening hebben wij deze vraag al achter ons, want zij is ingehaald door de geschiedenis, door de democratie, en door de politieke discussie in Marokko op het allerhoogste niveau — op 20 augustus 1994 sprak koning Hassan II over het belang van de Amazigh cultuur! En natuurlijk zijn daar de mensen zelf van wie het Tamazight de eerste taal is: de Imazighen, de rechtmatige bewoners van Afrika. Vervolgens wil ik ingaan op mijn eigen visie op het Tamazight. Ik ga deze taal benaderen vanuit drie invalshoeken.
1. Moderniteit
Sprekend over het Tamazight leg ik altijd de nadruk op de toekomst. We moeten vooruit en niet achterom denken. Dit geldt trouwens voor de hele situatie in de Maghreb-landen.
Wat we nu merken is dat het Tamazight nog in de oudheid leeft, buiten de moderniteit (hier verstaan we onder; het vermogen van de samenleving om technologische prestaties te leveren op de terreinen van productie, organisatie en communicatie). Deze niettegenstaande enkele vernieuwingen, zoals het schrijven van Tamazight, de verrichting van academische studies inzake deze taal, de uitgave van boeken en tijdschriften, en de politieke discussie over de integratie van het Tamazight in het Marokkaanse onderwijs. Wij, Marokkanen, leiden een dubbelleven: een leven in de oudheid en in de moderniteit, en de kloof daartussen moet overbrugd worden door de politiek: langs haar kunnen we het terrein van het nieuwe leven betreden. Maar om van de nieuwe technologie gebruik te kunnen maken, moeten wij de oudheid verdedigen. Dit geldt niet alleen voor het Tamazight, maar voor de hele situatie in Marokko, waar de politieke sfeer voor verbetering vatbaar is. Bij deze overgang van het oude naar het nieuwe leven maskeren de politieke discussies helaas de culturele aspecten. De nog problematische relatie tussen het oude en het moderne leven wil ik illustreren met het beeld van de Marokkaanse hoogwaardigheidsbekleder, die af en toe de Imazighen in het Atlasgebergte bezoekt. Hij draagt een smetteloos witte djellaba en een prachtige gele of witte tarbouch. Hij ontmoet zijn ‘broeders en zusters’ in een tent, hij spreekt met hen in het Tamazight, hij noemt hen nadrukkelijk ‘broeders en zusters’. Met zijn demagogie probeert hij hen aan zijn kant te krijgen. ’s Avonds vliegt hij met een helikopter terug naar Rabat, waar hij in een reusachtige villa huist, omringd door luxe goederen. Met de afstandsbediening in de hand kijkt hij naar wat zich in de wereld afspeelt. Denken jullie dat zo’n figuur het Tamazight wil of kan ontwikkelen?
2.Burgerschap
Burgerschap, het leven van een volk in een rechtvaardige maatschappij, is het resultaat van de elementaire vrijheden. Ook gezien vanuit het burgerschap heeft het Tamazight als taal het volste recht op een plaats in Marokko, aangezien dit land nu eenmaal twee talen heeft.
3.Burgermaatschappij
De burgermaatschappij is een spiegel waarin je jezelf kunt spiegelen, Vanuit dat perspectief kun je bezien hoe je verder moet in je toekomstige leven. Als we allen ontevreden zijn over de huidige situatie en boven het niveau van onderontwikkeling willen uitstijgen en als burgers beschouwd wensen te worden die participeren in het staatsbestel, dan dienen we de juiste vragen te stellen. De juiste vraag is dan niet ‘Waarom Tamazight?’ maar, ‘Hoe kunnen we het Tamazight tot ontwikkeling brengen? Wat moeten we doen om in Marokko een goed beleidsplan voor deze taal en cultuur te ontwikkelen?’ Sinds de onafhankelijkheid van Marokko is nog niet serieus aan deze vragen gewerkt!
Nu wil ik ingaan op de vraag hoe het komt dat het Tamazight zich in een moeilijke positie bevindt. Het is bekend dat Marokko een politiek van arabisering heeft gevoerd, waardoor het Tmazight werd gemarginaliseerd. Desalniettemin leeft deze taal nog steeds, omdat zij bij machte is zichzelf te verdedigen en omdat wij, de Imazighen, naar de berggebieden zijn uitgeweken. Het is duidelijk dat zowel in Nederland als in Marokko, onder zowel Arabisch- als Tamazight-sprekenden, voor- en tegenstanders van Tamazight worden aangetroffen. Er zijn Imazighen die onophoudelijk roepen: Nee, geen Tamazight!’ Wat dat betreft leven we in een tijd van uitdagingen. Begin jaren ’70 is in Marokko een culturele Tamazight beweging gegroeid, die zich schaarde naast andere bewegingen van het Marokkaanse volk dat naar zijn rechten op zoek is. Er kwamen verenigingen die het recht van de Tamazight-taal en -cultuur opeisten. Vernieuwingen die deze culturele Tamazight beweging heeft teweeggebracht zijn eerder door mij aangeduid. Daarmee zijn de Imazighen de geschiedenis binnengetreden, op zoek naar een plek, naar een naam in de historie.
Moderniteit, burgerschap en burgermaatschappij kunnen, zoals ik eerder aangegeven heb, het Tamazight steunen bij het overwinnen van obstakels die in de weg staan.
Tamazight is een van de kwesties die in de toekomst alle Marokkanen zal verenigen. De Marokkaanse geschiedenis heeft nu eenmaal twee poten: een Arabische en een Amazigh poot. Als we echt een nieuw leven wensen, dan moeten we het Tamazight zien in het kader van een nieuw leven voor heel Marokko. Het is heilloos het Tamazight te zoeken in het oude leven, waaraan naast positieve kanten evenveel negatieve kanten zitten. We wachten nog steeds op de integratie van het Tamazight in het Marokkaanse onderwijs. De befaamde rede van de koning op 20 augustus 1994 bracht op dit punt iets geheel nieuws, maar de juiste interpretatie van deze politieke uitspraak is niet duidelijk. In feite leeft het Tamazight nog steeds in onderdrukking. Van politieke uitspraken zal het moeten komen tot concrete stappen om deze taal in het Marokkaanse openbare leven te integreren: op scholen, universiteiten, radio, tv, enzovoorts. Vooralsnog lijken we nog steeds te verkeren in het stadium van de oude manier van het omgaan met het Tamazight: het gebruik van het Tamazight als politiek spel. Moet het Tamazight niet deel uitmaken van de analyse van de Marokkaanse maatschappij als geheel? Moeten we niet de noodzakelijke stap nemen om de Amazigh kant van Marokko te versterken, teneinde een ware Marokkaanse identiteit op te bouwen? Immers, een ingezeten van Marokko kan pas Marokkaan worden als hij/zij twee talen kan spreken: Tamazight en Arabisch. Deze twee talen hebben elkaar in dat land ontmoet en door de geschiedenis heen zijn zij tegen elkaar gebotst, maar hebben zij ook het nodige uitgewisseld.
In 1991 belegden de organisaties van Tamazight-taal en -cultuur in Marokko een breed opgezette bijeenkomst. Kernpunt van de discussie: de integratie van de Tamazight-taal in overheidsinstellingen, inclusief de onderwijsinstellingen van basisschool tot en met universiteit. Deze bijeenkomst bracht het zogenaamde handvest van Agadir (‘Charte d’Agadir’) voort. Dit handvest is een duidelijke weerspiegeling van hoe mensen in Marokko tegen het Tamazight aankijken. Het Marokkaanse volk is zich welbewust van de noodzaak van Tamazight-taal en -cultuur. Terecht wordt het recht van het Tamazight niet los gezien van de wijzigingen van de algehele situatie in Marokko; met name wordt Tamazight gekoppeld aan democratie en het leven in een burgermaatschappij. De nationale eenheid is immers inmiddels gerealiseerd en er is geen plaats meer voor oude praatjes, zoals de Dahir Berbere (‘berber decreet’, een koloniale wet uit 1930 die het Berberse gewoonterecht bevoordeelde ten kostte van de islamitische wet; tegenstanders van het Tamazight verwijzen graag naar deze kwalijke wet). Ik wijs erop dat, in tegenstelling tot wat de benaming suggereert, het geenszins Imazighen geweest zijn die deze wet in het leven hebben geroepen. Integendeel, zij hebben Frankrijk bevochten en de intrekking van deze Dahir geëist. Laten wij, als Marokkaanse politici en intellectuelen, elkaar geen onzin verkopen, maar laten wij nagaan hoe wij allen Marokkanen kunnen worden! Zeer hoopgevend en stimulerend is dat heden ten dage in Tamazight geschreven wordt. Universiteiten, culturele organisaties en ook diverse individuen publiceren tijdschriften en boeken. We mogen hier spreken van een belangrijke ontwikkeling in de geschiedenis van de Tamazight-taal en -cultuur. De Imazighen zijn zich ervan bewust geworden dat het schrijven voor hun taal een levensvoorwaarde is. Zij weten maar al te goed dat de talen die een sterke positie hebben geschreven talen zijn. Zij zien in waarom de andere taal van Marokko zich in een betere positie bevindt. Naast deze toenemende belangstelling van Imazighen voor het schrijven van hun taal, zien we ook dat in landen waar Imazighen wonen de ene na de andere organisatie voor Amazigh-cultuur in het leven wordt geroepen. Zij vormen naar mijn mening de enige weg die naar de burgermaatschappij kan leiden, in Marokko en de rest van Noord-Afrika. Zij zijn het die bij machte zijn om de identiteit van het Marokkaanse volk een ander gezicht te geven. Zij zijn immers gericht op contacten tussen mensen, op het uitwisselen van vragen en het gezamenlijk zoeken naar oplossingen. Ik denk dat deze organisaties van Tamazight-taal en -cultuur de beste kaders zijn waarin het Tamazight zich kan ontplooien. In deze moeten we niet op politici rekenen. Voor alle politieke partijen in Marokko geldt dat er een kloof gaapt tussen politiek en cultuur. De culturele organisaties streven naar de opbouw van de burgermaatschappij, terwijl de politieke partijen alleen op politieke macht uit zijn. Zoals eerder gezegd, bracht de bijeenkomst van organisaties van Amazigh-cultuur het ‘handvest van Agadir’ voort. Dit handvest behelsde de volgende reeks eisen:
1. De opname van het Tamazight in de grondwet als nationale taal op gelijke voet met de Arabische taal.
2. De instelling van een academisch instituut voor wetenschappelijk onderzoek op het gebied van Tamazight-taal en -cultuur.
3. De integratie van het Tamazight in het onderwijs, van basisschool tot en met universiteit.
4. De financiering van universitaire projecten en onderzoeken betreffende het Tamazight.
5. De integratie van het Tamazight in radio- en tv-uitzendingen.
Het laatste is gebeurd: Tamazight heeft een plaats gekregen op de televisie, maar wat voor plaats! Tamazight kreeg, onder de titel ‘nieuws in de dialecten’, twaalf minuten zendtijd, dat is zegge en schrijven vier minuten per regio. Vier minuten na 35 jaar marginalisatie (sinds de onafhankelijkheid)! Kennelijk heeft men de minimale vrede willen realiseren, in plaats van een maatschappelijke vrede. Bovendien gaat het hier niet om een geschenk uit liefdadigheid: organisaties van Tamazight-taal en -cultuur hebben er vanaf het begin jaren ’70 voor moeten strijden!