Het bloed in onze aderen


AmazighTimes: Miquel Bulnes

Deze week is de nieuwe roman van Miquel Bulnes verschenen, Het bloed in onze aderen. Vanavond kunt u enkele pagina’s eruit lezen en uw exemplaar bestellen.
Het is de zomer van 1921. In het Rifgebergte komen Marokkaanse Berbers in opstand tegen de Spaanse bezetters. In een kwestie van dagen drijven ze het Spaanse leger nagenoeg in zee, een waar bloedbad aanrichtend. Als een van de weinigen weet de jonge kapitein Augusto Santamaría te ontsnappen. Ternauwernood overleeft hij zijn verwondingen, maar hij raakt blijvend invalide en kan niet meer terugkeren naar het leger. Hij wordt aangesteld als commissaris bij de Madrileense veiligheidsdienst.
Na jaren van militaire campagnes in Afrika valt het burgerbestaan Santamaría fel tegen. Zijn staat van dienst betekent niets en in zijn werk lijkt hij slechts een symbolische functie te vervullen. Maar wanneer de politieke onrust toeneemt en Madrid bovendien wordt opgeschrikt door de moord op enkele van zijn collega’s, lijkt er in het nieuwe Spanje wellicht toch een heel wezenlijke rol voor hem weggelegd.

Het bloed in onze aderen is het voorlopige hoogtepunt in het oeuvre van de jonge schrijver Miquel Bulnes. Het is een monumentale, schitterende en vooral uiterst spannende roman, geschreven in een grootse, gedragen stijl, over moed, standvastigheid en overlevingsdrang in duistere tijden.

Miquel Bulnes (1976) is van half Nederlandse en half Spaanse afkomst, en schreef dit boek afwisselend in de twee landen. Eerder publiceerde hij de zeer goed ontvangen romans Zorg, Lab en Attaque!
Uit de correspondentie van kolonel Augusto Santamaría del Valle
…ontelbare generaties strijdt ons geslacht voor het vaderland, geven onze voorouders hun leven voor de Spaanse glorie. Voor zover de herinnering strekt waren wij allen militairen: mijn vader vocht op Cuba, mijn grootvader leidde zijn troepen op de Filippijnen, mijn overgrootvader sloeg de carlistische opstanden neer, zijn vader weer bevrijdde ons land van het Franse juk en ik meen oprecht dat onze stamboom reikt tot aan de edelmannen die in de achtste eeuw onder koning Pelayo de Moorse invasie van het schiereiland tot staan brachten. Dit is wat wij doen. Dit is wat wij zijn. Dit is het bloed dat klopt in onze aderen.
Tracht het te voelen zoals ik het voel…

3373679-4846640

Deel 1
De ramp van Annual

Mensen die menen dat de hel een plek is onder de grond, met veel vuur en duivels die je prikken, hebben duidelijk nog nooit een zomer doorgebracht in het Rif.
Met slepende voeten trekt luitenant Emilio Amores een spoor naar zijn tent. Hij haat Afrika. Hij wil naar huis. Hij wil een overplaatsing naar een regiment op het Iberisch schiereiland, een rustige post op het platteland. Of het nu de heuvels van Asturias zijn of de vlaktes van Castilië, de Andalusische droogte of zelfs Galicië, waar het altijd regent, het is hem om het even. Emilio is geen afrikanist, hij is een ambtenaar, hier heeft hij niets te zoeken. De stationering in het Rif begint haar tol te eisen. De mens is niet gemaakt om in de woestijn te leven en een langdurig verblijf ontneemt elke man zijn rede. Het drijft mensen tot waanzin, zoals kapitein Santamaría, een fanaticus die alle greep op de realiteit is kwijtgeraakt, een slavendrijver die zijn soldaten midden op de dag door de woestijn laat marcheren, die hen in het brandende zand laat opdrukken wanneer ze achterblijven. En het leidt tot kaalheid. Als Emilio de handen door zijn haar haalt, laten er tegenwoordig hele plukken los. De inhammen van zijn haarlijn lopen steeds verder naar achteren, terwijl hij in Spanje door de vrouwen werd geprezen om zijn verzorgde volle bos.
Emilio is acht weken verwijderd van zijn zesentwintigste verjaardag, en tien weken van het vaderschap. Thuis in de Rioja wacht een zwangere echtgenote op zijn terugkeer. De luitenant hoopt op een dochter, die hij Carmen wil noemen, naar zijn overleden moeder. Zoons geven alleen maar verdriet, weet hij. Zijn oudste broer is omgekomen bij de rellen in Barcelona en zijn jongste broertje is bezweken aan de tyfus. Dan is er nog een derde, waar nooit over wordt gesproken. Amores’ twee zussen zijn de enigen die zijn vader op diens oude dag enige troost, warmte en afleiding bieden. Ze bereiden zijn maaltijden, lezen hem voor en helpen bij het beheer van de wijngaard.
Amores weet dat sommige rekruten met brandnetels in hun wonden wrijven om ze tot zweren te maken, of tabak eten om hun huid geel te doen worden als bij een leverziekte. Alles om maar weg te komen uit het protectoraat. Zelf heeft hij overwogen zich in het been te schieten, maar uiteindelijk durfde hij dit niet. Emilio Amores wil niet toegeven aan de wanhoop. Wanhoop brengt zelfvernietiging.
Was hij maar zo sterk als zijn echtgenote Helena. Hij mist haar vreselijk. Ze verblijft nu bij haar vader, die functionaris is in Logroño. Tweemaal per week stuurt hij haar een brief om zijn liefde voor haar te benadrukken, zwijgend over de hel waarin hij is beland. Van Helena draagt hij een foto bij zich, inmiddels vergeeld van al die keren dat hij hem heeft bekeken in de woestijnzon. Emilio wordt verteerd door verlangen naar haar tedere handen, haar zachte lippen, haar krachtige stem, haar warme lichaam. Hij wil haar mond voelen op de zijne, haar nagels diep in zijn rug, gesmoord worden tussen haar dijen, haar ingehouden kreetjes in zijn oor.
De luitenant wil naar huis. Hij haat Afrika.
Uit de memoires van kolonel Augusto Santamaría del Valle

In april 1921 — ik was nog kapitein bij de infanterie, maar stond op het punt te worden bevorderd tot majoor — werd ik overgeplaatst van Ceuta naar het commando van generaal Silvestre in Melilla, om bij de opmars naar de baai van Alhucemas leiding te geven aan een compagnie Moorse strijdkrachten, de zogenaamde regulares.
Ondanks het feit dat het protectoraat de enige plek was waar een militair zich nog kon bewijzen, moesten de posten alhier, bij gebrek aan vrijwilligers, worden ingevuld door loting en roulatie. De meeste officiers in ons leger waren schandvlekken op de natie, die zich verscholen op het schiereiland, bijeengekropen in junta’s, en die liever hun inkomen verdedigden dan hun vaderland. De junteros waren te laf, te lui en te hooghartig om in het protectoraat te dienen, maar aanschouwden tegelijkertijd met afgunst de promoties die in Afrika werden verdiend op het slagveld. Met dreigingen en intriges hadden de junta’s onze zwakke regering op de knieën gedwongen: sinds enkele jaren ontvingen de militairen in Marokko geen toeslag meer en was anciënniteit het enige criterium voor promotie. Het trotseren van moordlustige hordes wildemannen was gelijkgesteld aan potloden slijpen en stempels zetten achter een bureau in een provinciedorp.
Het uiteindelijke doel van de campagne in Afrika was de gebieden rond Ceuta, Melilla en Larache te verenigen, en het protectoraat tot één geheel te smeden. Inmiddels was ons leger vanuit Melilla het Rif ingetrokken en mijn overplaatsing was een gevolg van de grote behoefte aan ervaren officiers in dit gebied. Was het al moeilijk deze te vinden voor het protectoraat als geheel, voor het Rif was het bijna onmogelijk, zeker wanneer het de leiding betrof over de inheemse troepen; velen beschouwden deze posten als beneden hun waardigheid. Ikzelf echter prefereerde de regulares, al was het communiceren met hen soms moeilijk en bleef het altijd de vraag in welke mate op hen kon worden vertrouwd. Alles was beter dan de regimenten angstige, nauwelijks getrainde Spaanse rekruten, die in hun slaap riepen om hun moeders.

Vanaf de wachttoren kijkt luitenant Amores uit over het Rifgebergte. Drie maanden al staat de opmars vanuit Melilla stil. Annual, gelegen in een dal tussen vier heuvels, is op dit moment de meest vooruitgeschoven post in de frontlinie, maar het kamp is nooit bedoeld geweest als permanente legerplaats. In de heuvels naar het westen verzamelt Abd El-Krim strijdkrachten, bouwt hij langzaam maar zeker aan zijn leger van Riffijnen, vastberaden de Spaanse bezettingsmacht van de Marokkaanse kaart te vegen. Niemand anders lijkt zich hierom zorgen te maken, en dit verontrust de luitenant des te meer.
Uit zijn borstzak haalt hij een klokje. Het is twee uur in de middag, tijd om zijn brieven te schrijven. Hij klimt van de wachtpost naar beneden en springt de laatste halve meter. Het stof stuift op en hecht zich op Amores’ zwarte laarzen en grijze pantalon. Hij doet al tijden geen moeite meer het af te kloppen.
Voor zijn tent is ter beschutting tussen vier palen een groot wit laken gespannen. In de schaduw hiervan verpozen twee van zijn collega-officiers. Luitenant Urgel — een vriend van Amores, die leiding geeft aan lokale politietroepen — zit op een munitiekist en leest een drie weken oude Madrileense krant. Luitenant Galán van de artillerie houdt een middagslaapje, liggend op de grond, het hoofd rustend op een opgevouwen deken.
Urgel groet Amores en vraagt hoe zijn dag is geweest.
‘Santamaría is een psychopaat,’ antwoordt deze.
Urgel trekt een wenkbrauw op.
‘Het is een ernstig gestoorde man,’ benadrukt Amores.
‘Er wordt beweerd dat hij ooit twee weken in de woestijn heeft overleefd zonder water,’ zegt Urgel. ‘En dat hij met zijn tanden de nek van een Arabier heeft doorgebeten — maar dat gelooft niemand.’
‘Het zou me niets verbazen.’
Urgel staat op, opent de munitiekist, haalt er een wijnzak uit en neemt een slok. ‘Jij ook?’ biedt hij aan.
Emilio knikt. Hij houdt de zak op ooghoogte en knijpt zachtjes. In een dun straaltje spuit de wijn tegen de binnenkant van zijn wang. Hij is drabberig en lauw, maar smaakt hem beter dan de beste crianza’s die hij ooit in de Rioja heeft mogen proeven.
Uit de memoires van kolonel Augusto Santamaría del Valle

Het Rif is een door God vergeten, achterlijke streek, waar de tijd al drieduizend jaar stilstaat en waar gewelddadige Berberstammen, of kabylen, elkaar generatie op generatie de hersens inslaan. Rechtssystemen bestaan er niet en onenigheden tussen stammen monden niet zelden uit in kleine oorlogen waar andere kabylen in worden meegezogen en die pas eindigen als van één partij elke man is omgebracht die een geweer kan tillen. Voor wij er orde en beschaving brachten, verkeerde het gebied in de staat van permanente chaos die mag worden verwacht wanneer men een volk zijn eigen regels laat vaststellen, wanneer gezag ontbreekt.
Tegen zonsondergang van de twintigste april arriveerde ik bij mijn bestemming: de fortificaties van Annual. De positie was opgezet op een vlakte te midden van heuvels, bestreek een oppervlakte van ruwweg twee kilometer in het vierkant en bestond uit drie afzonderlijke kampen. Het hoofdkamp werd omgeven door een stenen muur die met zandzakken was verstevigd, en hieromheen waren drie prikkeldraadomheiningen afgezet. Binnen de muren was in bijna honderd tenten plaats voor twee bataljons infanterie van het regiment Ceriñola en voor de technische en huishoudelijke troepen.
Het tweede en derde kamp bevonden zich op de heuvels rechts en links van het pad dat naar de fortificatie van Dar Buymeyan leidde en hier waren respectievelijk zeshonderd soldaten van het regiment Afrika gelegerd en twaalfhonderd man Moorse troepen. Deze kampementen waren minder goed verdedigd, zonder muren en met slechts een enkele prikkeldraadomheining. Midden tussen de drie kampen bevonden zich de stallen met de paarden van de cavalerie en de muilezels van de transportdienst, en op een zestal punten had de artillerie zich ingegraven met mitrailleurs. In het Moorse kampement deelde ik mijn tent met twee andere kapiteins.
Onze frontlinie lag nu bij de rivier de Amekran, in het gebied bewoond door de Beni Ulixek. De overkant van de rivier, een zone die op de kaarten nog blank was (aan ons om in te vullen wanneer wij het terrein zouden veroveren), behoorde aan de Tensaman en de Beni Tuzin, bevolkingsgroepen met wier leiders wij op dat moment in onderhandeling waren. Verder over de heuvels naar het westen leefden de Beni Arriguel, de stammen waartoe Abd El-Krim behoorde en waaronder hij soldaten voor zijn troepen, zijn harken, rekruteerde.
De rebellenleider was ooit in dienst geweest van het protectoraat. Hij had gewerkt op het bureau van inheemse zaken en had hier Arabische les gegeven aan vele van onze officiers, generaal Silvestre inbegrepen. Later had hij het geschopt tot rechter. De problemen begonnen toen hij in de oorlog tussen de Fransen en de Duitsers propaganda voerde voor de Duitse zaak. Onder druk van de Franse regering zag het mandaat in Melilla zich genoodzaakt hem gevangen te zetten en hem de exploitatierechten te ontnemen van een mijn nabij Melilla. Na zijn vrijlating trok Abd El-Krim vervuld van rancune het Rifgebergte in om samen met zijn broer te werken aan de totstandkoming van een leger van Berbers.
Spanje is altijd uitermate bedreven geweest in het scheppen van zijn eigen vijanden.

Amores patrouilleert met een halve sectie, vijftig man, aan de overzijde van de rivier Amekran. Dit gebied, bevolkt door de Tensaman, zal binnenkort worden ingelijfd bij het protectoraat. De Tensaman staan welwillend tegenover een Spaanse bezetting, maar willen hiervoor wel iets terugzien. De stamhoofden moeten worden afgekocht. In een dorp aan de oever van een drooggevallen rivier — de naam heeft de luitenant helaas niet goed kunnen verstaan — wordt hij hoffelijk uitgenodigd door het stamhoofd, een lange, stevige man met dikke wenkbrauwen en een volle baard.
Samen met een van zijn Marokkaanse korporaals volgt de luitenant het stamhoofd naar zijn woning, een lemen hut met een rood kleed als deur. Ze nemen plaats op kussens rondom een achthoekig tafeltje. De Berber loopt weg uit het woonverblijf en keert terug met een geweer in de handen, dat hij op de tafel legt. Uit de woorden van de man maakt Amores op dat hij erg trots is op zijn geweer, een geschenk van majoor Villar van de inheemse politie.
De luitenant spreekt geen Berbers, maar verstaat het Arabisch. Zijn korporaal spreekt enige woorden Spaans en dient soms als tolk naar de Berbertroepen. Vertaling van orders is overigens zelden nodig. Een soldaat blijft immers een soldaat, ongeacht zijn afkomst. Als hij een bevel niet heeft begrepen dien je het als officier harder te schreeuwen.
Het geweer van de Berber is een standaard Mauser. Emilio pakt het op en richt het op de muur. Het mechaniek is stroef en zou geolied moeten worden, maar de loop is recht. Hij geeft het terug aan het stamhoofd en complimenteert hem ermee.
De Berber zet het tegen de muur en gaat zitten op een dik bruin kussen. Hij klapt in zijn handen en wacht, draait naar de deur alsof er iets zou moeten gebeuren. Als het klappen wederom geen effect sorteert, schreeuwt hij door de muren heen. Een jonge vrouw komt binnen. Veertien, misschien vijftien jaar oud, loshangend zwart krullend haar, weerbarstige groene ogen. Hooghartig kijkt ze de luitenant aan. De vrouwen van de Riffijnen lijken in niets op de Arabische vrouwen of de vrouwen van de Berbers in het westen. Ze dragen geen sluiers, zijn ruw, vol kracht en hun mannen hebben er een dagtaak aan hen in bedwang te houden (althans, als Amores zijn soldaten mag geloven).
Het stamhoofd draagt haar op thee te zetten voor de gasten. De vrouw haalt haar schouders op. Kortaf antwoordt ze in het Berbers. Hierop begint het stamhoofd geagiteerd te roepen en te zwaaien met de armen, net zo lang tot ze knikt en de kamer verlaat.
‘Het ontbreekt mijn schoondochter aan gehoorzaamheid,’ verontschuldigt hij zich. ‘En dat nog wel op mijn oude dag!’
Terwijl ze wachten spreken ze over de hitte, de droogte, de oogst en andere trivialiteiten. Een oudere vrouw brengt na enige minuten een dienblad met een pot en twee glazen, en zet deze op de tafel. Het stamhoofd knikt haar toe. Vervolgens schenkt hij voor zichzelf in, proeft, schudt het hoofd, leegt zijn glas weer in de theepot en voegt meer suiker toe. Als hij dit ritueel vier keer heeft herhaald, is hij eindelijk tevreden en schenkt hij ook de glazen van Amores en de korporaal vol. De thee is nu zo zoet dat hij pijn doet aan Emilio’s tanden, maar hij prijst en bedankt de Berber ervoor.
‘Er gaat een gerucht,’ vertelt het stamhoofd. ‘Het lijkt me belangrijk dat u het overbrengt aan majoor Villar.’
‘Wat is de oorsprong van dat gerucht?’ vraagt Amores.
‘Dat is onbelangrijk. Luistert u naar mij, luitenant. Dit zeg ik u als een vriend: Abd El-Krim bereidt een aanval voor. Hij heeft inmiddels meer dan drieduizend man verzameld.’
‘Als hij zo’n groot leger heeft opgebouwd, waarom merken we daar dan niets van?’ vraagt Amores.
Het stamhoofd fronst. ‘Wij Berbers zijn geduldig,’ zegt hij. ‘Kent u ons spreekwoord?’
Amores verstaat het gezegde van de man niet, maar zijn korporaal vertaalt: ‘Ga voor de tent van je vijand zitten en je kunt wachten tot hij dood wordt weggedragen.’
Uit de memoires van kolonel Augusto Santamaría del Valle

Nooit ben ik een man geweest die gemakkelijk vrienden maakte. Als kind in Palencia was ik al erg op mezelf, mijn vrije tijd bracht ik door met het lezen van boeken en het schieten op blikjes met mijn vaders geweer. Klasgenoten en buurtkinderen vonden me stug, saai en humorloos, en velen van hen waren bang voor me. Ik zou de blik van de duivel in mijn ogen hebben en de dood aantrekken. Ook op het instituut bleef ik een eenling. Andere studenten respecteerden mijn fysieke kracht, mijn rechtgeaardheid en mijn intellect, maar ik voelde zelden de behoefte aan hun gezelschap, noch zij aan het mijne. Op zondagen na de kerkdienst voetbalde ik niet met hen mee in het park.
Toen ik als tweede luitenant naar Afrika kwam, naar het commando van Ceuta, wist ik dat ik mijn plek had gevonden. Voor het eerst in mijn leven voelde ik me geen buitenstaander; in de officiersmacht aldaar bevond ik me tussen gelijkgestemden, mannen van orde en discipline, toegewijd aan het leger en aan het vaderland.
Melilla daarentegen was een rotte kies in ons koninkrijk, de stad een Sodom en Gomorra, de campagnes gedomineerd door de junteros van generaal Silvestre (moge zijn ziel rusten in vrede), een man gedreven door eerzucht, die zijn positie volledig te danken had aan politieke in plaats van militaire manoeuvres.
De ochtend na mijn aankomst in Annual, nog voordat de troepen aan mij werden overgedragen, maakte ik een wandeling langs de verdedigingsblokken. De zomer begon vroeg dat jaar en bij zonsopgang stond het kwik al op vijfentwintig graden. In de middag zou het tot hoog in de dertig stijgen.
Ik liep rond het basiskamp en bezocht ook het kamp van het regiment Afrika op de andere heuvel. Vanaf het hoogste punt van deze heuvel was er een uitzicht van een paar kilometer in de omtrek: de bedding van de rivier de Amekran in het westen, in het oosten het vlakkere landschap met de weg terug naar Ben Tieb, in het noorden een paar kleine Berberdorpen, naar het zuiden slechts bergen. Her en der stak nog een laatste plant of struik uit de aarde, maar voor het grootste deel voldeed het Rif volledig aan mijn voorstelling ervan: droog, stoffig en woest. Het mag geen wonder heten dat het leven hier de Riffijnen heeft gebeeldhouwd tot een taai en vechtlustig volk.
Bij terugkomst zocht ik de kapitein op van wie ik het commando zou overnemen. We ontbeten samen en liepen vervolgens het kamp uit naar de vlakte, waar vier luitenants en driehonderd man regulares in de houding op ons stonden te wachten. Na een korte ceremonie waarbij ik officieel de leiding over de troepen kreeg overgedragen, gaf ik opdracht voor het inzetten van een korte mars, vijf kilometer richting Ben Tieb en Dar Drius. Tot mijn verontwaardiging en schaamte gaf halverwege een van mijn luitenants — Emilio Amores was zijn naam — buiten adem te kennen dat we gedwongen waren te pauzeren. De soldaten waren uitgeput. Een kwart van hen had het tempo niet kunnen bijhouden en was achteropgeraakt. Sommigen zaten uit te hijgen op de grond of hielden zich staande door op hun geweren te steunen. Een enkeling braakte zijn maaginhoud uit in het Marokkaanse stof.
‘Het spijt ons, kapitein,’ verontschuldigde de luitenant zich, ‘maar de manschappen zijn niet gewoon grote afstanden te marcheren.’
‘Niet?’
‘Maar ze kunnen wel hard lopen op de korte afstand…’

Comments

comments

Share

Laat commentaar achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *