De sociale mobiliteit van Marokkanen blijft in Marokko bijzonder beperkt


column Norah Karrouche (1984) is historica door de week en schrijft in haar vrije tijd. .6466287-9751987

Ik schrijf dit stukje op het terras van café Balima langs de Avenue Mohamed V in hartje Rabat. In 1928 richtte de Franse avonturier en ondernemer Louis Mathias samen met twee landgenoten een gelijknamige vastgoedmaatschappij op in Marokko. Met Balima drukten ze een stempel op de architectuur van de hoofdstad. De bouw van dit hotel en café startte in 1930, in wat achteraf een cruciaal jaar in de protectoraatspolitiek van Frankrijk bleek te zijn.

In 1930 voerde Frankrijk de zogeheten dahir berbère door, een wet die onder meer toestond dat de Berberse bevolking op het platteland haar gewoonterecht toepaste, wat in de steden bij de lokale elites dan weer de nodige weerstand opriep. Ook in steden als Rabat, maar met name in Fès, resulteerde de onvrede met de Franse verdeel-en-heerstactiek in een toevlucht naar een Arabisch en antikoloniaal nationalisme. Na de onafhankelijkheid kreeg Marokko een uitgesproken Arabisch karakter maar behield het desondanks een innige band met Frankrijk.

In hotel Balima bood de Marokkaanse elite niet alleen tijdelijk onderdak aan Franse politici, vermaarde actrices en chansonniers maar ook aan sultans uit het Midden-Oosten. Che Guevara verbleef hier in de zomer van 1959, voor een dag of twee, maar dat betrof eerder een soort van vriendelijk gevangenschap onder wijlen Mohamed V. Tenminste, dat heb ik van horen zeggen. Onder Hassan II werd die grens tussen ontvangst en detentie flinterdun. In café Balima, en bij uitbreiding heel Marokko, luisteren de muren sindsdien altijd mee.

Elke inwoner van Rabat, iedere toerist of passant weet precies waar hotel Balima ligt. Recht tegenover het parlement, overigens ook opgetrokken onder de auspiciën van Louis Mathias en compagnie, en op wandelafstand van het treinstation. Pal in het centrum van de ‘ville nouvelle’, waar het groen op de talrijke pleintjes met zorg onderhouden wordt en de fonteinen het hele jaar door werken, de bankjes eromheen druk bezet, de Rbati’s die er zitten welbespraakt. Nergens in Marokko is het straatbeeld voor een Europeaan zo herkenbaar, zo geordend, en liggen de trottoirs er zo netjes bij. Van inwoners en buitenstaanders zal je horen dat je, om Marokko te beleven, niet in Rabat moet zijn: te ernstig, te statig, nep. Wie het Marokko uit de brochures wil zien, is eraan voor de moeite en voor een Marokkaan is Rabat slechts de plaats waar over staatszaken wordt beslist, wetten en richtlijnen die op hun beurt elders in het land niet altijd worden gevolgd. Frivool noch dwingend, dat is Rabat.

Rabat is geen farce, ze is wel façade. Marokko wordt door politieke commentatoren graag een uitzondering in de regio genoemd: een land met een open en internationale blik, lonkend naar buitenlandse investeerders, bondgenoot voor wie religieus of etnisch fanatisme indijken wil, maar diep van binnen zelf zo conservatief als de pest. De koning houdt de boel bij elkaar. Menig historicus zal instemmen dat de koloniale politiek van Frankrijk het land vandaag nog tot op het bot tekent: een kunstmatige tweedeling tussen stad en platteland, Arabisch en Berbers, modern en traditioneel. Criticasters van de Marokkaanse politieke elite noemen hun land om die reden graag schizofreen.

In 2011 zat ik hier op dezelfde plek toen de 20 februari-beweging voor het paleis en parlement protestacties hield. Ze dwongen het parlement tot een significante verbetering van hun vrijheden, maar dat lag in het verlengde van de democratisering en modernisering die de huidige koning al sinds zijn troonsbestijging voor ogen had. Drie jaar later is het opvallend stil, is de sociale mobiliteit van Marokkanen vooralsnog bijzonder beperkt, de verworven rechten precair, ook de persvrijheid.

Kranten koop je in de Avenue Mohamed V gewoon in een van de talrijke kraampjes langs de weg. De inhoud van de dagbladen die kramers verkopen neemt elke Marokkaan die ik in deze stad ken nog steeds met een ferme korrel zout. Het is de prijs die elke inwoner voor zijn machthebber in het paleis hier om de hoek betaalt. Tezelfdertijd heb ik over mijn Marokkaanse kennissen hier wel eens gedacht: zij zijn tenminste nog alert. Het is het Rabat van achter de façade: rumoerig, rommelig en altijd achterdochtig. Zelfs in de schaduw van het parlement voelt het te warm aan voor de tijd van het jaar. .

column Norah Karrouche (1984) is historica door de week en schrijft in haar vrije tijd. .

Comments

comments

Share

Laat commentaar achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *